Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/297

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



245GESCHIEDENISSEN.

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
hebben weggedragen, waar mede zijn opvolger prijkt, van zijne onderdaanen gebragt te hebben tot zulk een gelukkigen trap van beschaaving, als de juiste middenevenredige zijn moet tusschen eene boersche woestheid, welke, wanneer ze lang duurt, een volk verachtlijk maakt, en tusschen eene verdartelende weelde, waardoor de Romeinsche alleenheersching zelve eindlijk ontzenuwd is.

Dood van
Ancus.
J. vóór C.
614.
J. van R.
138.
Ancus stierf in het vier-en-twintigste jaar zijner regeering. Aur. Victor noemt zijnen dood vroegtijdig,(1) Plutarchus, onnatuurlyk(2), de overige geschiedschrijvers zeggen niets van de wijze van zijn sterven, noch van zijnen ouderdom. Zeer zeker is de dood van eenen goeden Koning altijd ontijdig, in welk een grijzen ouderdom hij ook aan zijne gelukkige onderdaanen ontrukt wordt: en of deze Vorst de achting en liefde zijner onderdaanen waardig was, behoeft, na het verslag zijner oogmerken en verrichtingen, wel niet gezegd te worden.

(1) De viris ill. c. v.
(2) In Numa p. 75.