Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/108

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
90

rondspringen voor de oogen van al het volk! Ik heb u gewaarschuwd; ik dacht wel dat het zoo gaan zoude.”

Maar de rechter was gedurende den dans zeer vroolijk geworden en riep den monnik dansende toe: „O, dans maar, heer pater, dans maar! Ik kan nog niet ophouden, die dans is veel te vroolijk.”

„Ja,” zeide kleine Frits, „past nu op, nu zal ik den hopsadans spelen; gij kent dezen immers, heer pater, niet waar, die is eerst recht vroolijk !” Hij speelde nu op nieuw, en al het volk, benevens den dienaar en de rechter, dansten met elkander, en vrouwen en kinderen, alles liep dooreen, zoodat het een verbazend gewoel onder en rondom de galg veroorzaakte. Allen sprongen dansende in de hoogte en menigeen riep daarbij: „Hoezee! het is nog nooit zoo vroolijk geweest wanneer iemand gehangen werd!”

Nu klom kleine Frits, ofschoon gedurig voortspelende, van den ladder, nam zijnen boog onder den arm, liep spelende door het dansende volk, en maakte op deze wijze dat hij wegkwam. Maar al het volk liep hein dansende na, en dat zoolnng, totdat allen zich moede gedanst hadden en zich langs den weg op den grond moesten laten nedervallen. De dikke monnik viel eerst, en kuchte, daar hij zich geheel buiten adem gedanst had; toen viel de rechter; vervolgens de beul; voorts Houdvast, en spoedig daarna dan hier een paar, dan daar een paar. Intusschen liep Frits gedurig voort, en speelde zoolang, totdat zij allen door vermoeienis op den grond gevallen waren.

Toen Frits nu al het volk langs den weg op den