Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/142

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 122 )

word hier de Bijemees, omdat zij veel op Bijën aast, genoemd; de blaauwe Mees; Kuifmees; Kaas- of Staartmees, die een zeer lief en aartig nestjen bouwt; de Grasmusch; Kneuter of Koddenaar, welke graauw van verwe is, en in het Wild eene bloedroode borst heeft, maar in eene Kooi opgeſlooten verliest hij, zoodra hij ruit, dezelve; de Wijntapper, welke zich alleen in heiën ophoud; het Sijsjen; Boomkruipertjen en Winterkoningen. Ook vind men hier een klein graauw Vogeltjen, welks eigenlijken naam mij onbekend is, doch gewoonlijk noemt men hetzelve in de Majorij het Praatertjen: hetzelve bootst alle andere kleine Vogeltjens zeer aartig naar, het is zeer vrolijk, en men kan naar hetzelve verſcheidene uuren ſtaan luisteren, zonder dat men dezelfde toonen van dit lief beestjen hoort. – Hiervan heeft het zekerlijk zijnen naam van Praatertjen ontvangen. – Men treft hier nog meer andere kleine Vogeltjens aan, welker naamen mij niet bekend zijn, want iedere Streek heeft zijne bijzondere ſoorten van Vogelen; zelfs vind men Dorpen in de Majorij, waarïn zich aan de eene zijde Vogeltjens ophouden, welke aan de andere niet gevonden worden.

Onder de Water-vogelen telt men hier: de wilde Eend; de Taling; de Waterhoen en de Meeuw.

Ik heb onder de Roofvogels, die hier broelën, gevonden: den Ransuil; kleinen Kerkui en den Oor- of Katuil. Ook houden zich hier de Smeerle of Kremvogel en het Steenvalkjen op. Ik kan

'er