Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/148

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 128 )

Zie zoo! – Dit mag wel een Post ſcriptum heeten, want hij is ten minſten lang genoeg; ik zal 'er dan niets meer bijvoegen, anders zou het Naschrift wel grooter dan de Brief zelf worden, en dit mag immers niet weezen? – Neen! – dit kan niet. – Dus niets meer dan – Vaarwel! – !!




TWINTIGSTE BRIEF.

 Waardste S........!

Ik heb U nu de meeste, en zeker de voornaamſte, Dorpen der Majorij, zo al niet volledig, echter zeker eenigzints leeren kennen. – Gij zijt nu, door mijne voorige en door deeze Reize, in ſtaat geſteld, om al vrij naauwkeurig den aart, het charakter en de levenswijze der Majorijënaars te beöordeelen. – Ik heb U de wilde viervoetige Dieren, de meeste Vogelen en Visſchen opgeteld; nu ſchiet 'er nog over, dat ik U de Boomen, die hier vallen; de Graanen, die hier geteeld worden, en dus de voordbrengſelen van dit Land voor oogen ſtel; wen ik dit verricht, en zoo mijne belofte, in mijnen voorigen gedaan, volbragt heb, dan zult Gij geen vreemdling meer in de Majorij weezen. – Ontmoet mij nog iets bijzonders, of hoor ik nog iets aanmerklijks, dit zal ik verſchuiven tot mijne laatſte Brieven.

Be-