Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/163

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 143 )

"Klopjens. Nonnen en Bagijnen
Zijn niet zoo heilig, als zij ſchijnen."

Wen iemand in de Majorij deeze Zusjens groet of aanſpreekt, noemt hij haar altijd ma Soeur, op deezen eertitel zijn zij zeer verzot.

Is deeze brief nog niet lang genoeg? – mij dunkt: ja! – dus eindig ik denzelven met de verzekering van onveränderlijke vriendschap.

Ik ben geheel de

Uwe. 

Post ſcripta. Ik heb nog een klein plaatsjen over; hetzelve wil ik, om het niet ledig te laaten, met een ſtaaltjen van zeer ver gaande ſtoutheid, die U gewis verwonderen zal, vervullen. De Majorijſche Vroedvrouwen op het land zijn meest alle Roomsch; zij ontzien zich thands niet, om, als zij eene Hervormde Vrouw verlost hebben, terſtond het Kind, in tegenwoordigheid van de Moeder te Doopen. Hoe ver gaat thands de ſtoutheid der Roomſchen?! Moet Gij niet bijna aan de echtheid van dit verhaal twijfelen, en evenwel is het zuivere waarheid, – Maar de Doop der Ketters is verdoemd, en zo een Kind omgedoopt ſterft, dan is het eeuwig ongelukkig, daaröm, geloof ik, maatigen zij zich thands dit recht aan; ook mag een Roomſche in de Majorij tegenwoordig doen, wat hij wil, de Geuzen liggen nu aan den band, en zijn blijde als zij 'er met zwijgen afkomen. – – Wen een Her-

vorm-