Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/164

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 144 )

vormde zich onderſtond, om een Kind van eenen Roomſchen te Doopen, hij was zijn leven geen oogenblik zeker.

In zag op deeze Reize ergens (waar? dit is mij ontdacht) eene afbeelding der Drieéénheid. Zij wierd verbeeld door het gedeelte van een menschlijk ligchaam, hebbende één hoofd met drie aangezigten met dit onderschrift: de Allerheiligste Drievuldigheid – ! –




TWEE-EN-TWINTIGSTE BRIEF.

 Geachte Vriend!

Thands is het zeer regenächtig; ik heb geenen lust, om mijnen tijd in het Koffiehuis of andere Herbergen nutloos en verveelend af te ſlijten; wandelen kan ik niet, wil ik droog blijven, derhalven ſchiet 'er niets overig, als om mij met U te onderhouden, en dat dit mijn grootst genoegen is, daarvan ſtrekken mijne voorige Brieven ten bewijze. Ik blijf deezen namiddag en avond op mijne Kamer, en wil U nu eenen langen brief ſchrijven, maar – ik ben thands niet zeer opgeruimd, derhalven zal deeze brief ook geen der besten weezen. Ik zal U tegenwoordig zóó ſchrijven, en de zaaken zóó opgeeven, als mij dezelve in gedachten komen, want het is mij nu

niet