Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/188

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 168 )

weder vervloogen. Dit blaazen op eenen Hoorn geſchied ook wel, als iemand op ſterven ligt, om nog eens voor den ſtervenden te bidden. – "Alle menſchen – zeide de Onbekende – wenſchen gerust te ſterven, en dus ook de Roomſchen, doch deeze ſtellen daartoe verkeerde middelen in het werk. – Op een deugdzaam leven, dit is bij mij een vaste regel, volgt bij den Christen altijd een geruste dood: ja! ik beſchouw deeze twee zaaken als het beste, op aarde, daaröm denk ik dikwijls aan de woorden uit het Graf van onzen grooten Dichter R. Feith. – Mag ik U dezelve eens voorleezen?' – (Ik stemde dit toe. – Hieröp kreeg hij een Boek uit zijnen Zak, en las mij met eene nadruklijke ſtem, met een gevoevol hart, de volgende regels, die ik terſtond verzocht afteſchrijven, om ze U toetezenden, voor.)

"ô Sterfling, wie ge ook zijt! van al het heil op aard'
Is dit alleen de wensch, der ed'le menschheid waard
Een leven, vrij van ſchand', van wroeging en van zorgen
Een vrolijke avond en een ſlaap tot aan den morgen;
Een doodbed, zacht van dons, waar nog 't herdenken ſtreelt,
En waar de zielrust om de kalme ſponde ſpeelt; –
Zie daar den besten ſchat, dien de aarde ons aan kan bieden,
Hij blijft ons eigendom, waar jeugd en voorſpoed vlieden;
Wie hem alreê bezit heeft niet vergeefsch geleefd;
Gelukkig, die hem kent, en moedig naar hem ſtreeft![1]"

Men
  1. Tweede Zang. Bladz 51, 52.