weder vervloogen. Dit blaazen op eenen Hoorn geſchied ook wel, als iemand op ſterven ligt, om nog eens voor den ſtervenden te bidden. – "Alle menſchen – zeide de Onbekende – wenſchen gerust te ſterven, en dus ook de Roomſchen, doch deeze ſtellen daartoe verkeerde middelen in het werk. – Op een deugdzaam leven, dit is bij mij een vaste regel, volgt bij den Christen altijd een geruste dood: ja! ik beſchouw deeze twee zaaken als het beste, op aarde, daaröm denk ik dikwijls aan de woorden uit het Graf van onzen grooten Dichter R. Feith. – Mag ik U dezelve eens voorleezen?' – (Ik stemde dit toe. – Hieröp kreeg hij een Boek uit zijnen Zak, en las mij met eene nadruklijke ſtem, met een gevoevol hart, de volgende regels, die ik terſtond verzocht afteſchrijven, om ze U toetezenden, voor.)
Is dit alleen de wensch, der ed'le menschheid waard
Een leven, vrij van ſchand', van wroeging en van zorgen
Een vrolijke avond en een ſlaap tot aan den morgen;
Een doodbed, zacht van dons, waar nog 't herdenken ſtreelt,
En waar de zielrust om de kalme ſponde ſpeelt; –
Zie daar den besten ſchat, dien de aarde ons aan kan bieden,
Hij blijft ons eigendom, waar jeugd en voorſpoed vlieden;
Wie hem alreê bezit heeft niet vergeefsch geleefd;
Gelukkig, die hem kent, en moedig naar hem ſtreeft![1]"
- ↑ Tweede Zang. Bladz 51, 52.