Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/20

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

XVI

NASCHRIFT.

en men schrijft aan eenen Vriend minder oplettend op den stijl, dan wel aan iemand anders, met wien wij niet gewoon zijn gemeenzaam te verkeeren. – Eindelijk zeggen die Recensenten Bl: 207.: "Indien de Schrijver de schilderijën" (naamlijk van Religie-haat enz. in de Majorij), "naar waarheid, doch nog veel verzacht heeft opgegeeven, gelijk hij, Bl: 88, betuigt, dan weeten wij waarlijk niet, wat wij van het origineel moeten maken." – Geen wonder, dat die Recensenten dus schrijven; niemand kan zich van alle de daarin verhaalde zaaken een juist denkbeeld vormen, of hij moet zelf in dat Land des Bijgeloofs en der bittere Vervolgzucht verkeerd hebben, elk ander moet juist zoo denken, als de Schrijvers der Letteröeffeningen. Intusschen zien gemelde Recensenten, uit deeze tweede Reize, dat de Schilderijën niet te sterk gekoleurd, maar zelfs met losse trekken getekend zijn. Ook bevestigt het Aanhangsel achter deeze Reize, het geen den Reiziger aan veele onderscheidene Schrijvers, die gewis aan Hem, zonder dat de een van den anderen wist, geschreeven hebben, verschuldigd is, de waarheid van dat gezegde. – Voor het overige getuigen de Schrijvers van gemeld Maandwerk, dat zij dat Reisjen met vermaak geleezen hebben, en dit is mij genoeg.

In de Boekzaal der Geleerde Waereld voor Mai 1800. word gemeld Reisjen zeer gepreezen (zie aldaar Bl: 519–528.), de Boekzaal-schrijvers zwaaiën hetzelve zeer veel lof toe, hunne beöordeeling en aanprijzing is allergunstigst, dus niets meer hiervan.

Ook dit alles mogt ik voor mijnen Lezeren niet verbergen, opdat zij dus zouden zien (misschien of liever zeker leezen alle de gemelde Werken niet) hoe dat de in ons Vaderland bekende Boekbeöordeelaars over die Reize oordeelen.

EER-