Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

(20)

kon; ik hield hem in het oog, reed zachter, en zag, toen hij digter bij dat Dorp kwam, dat hij zijne krukken onder de armen zettede, en zoo jammerlijk ging, dat men 'er medelijden mede hebben moest. Ik zweeg hiervan met opzet in dat Dorp, reed verder en kwam den volgenden dag weêr te rug; toen wierd mij verhaald, dat 'er daags te vooren een wonder gebeurd was, wijl een man, die ellendig kreupel ging en op krukken sprong, zeer schielijk door den Priester was geneezen. Ik antwoorde, dat dit enkel bedrog was, en dat die man gewis was omgekocht, wijl ik dat en dat (hier verhaalde ik alles) gezien had. – Men wierd boos op mij, hield mij voor eenen kwaadäartigen leugenaar, en schold mij voor eenen ongeloovigen ketter. – Ik zweeg, want men wilde verder niets hooren, en reed weg.

Ik. Welk een godloos bedrog! welk eene snoodheid!!...

De Onbekende. Jazeker! – Doch het is te verwonderen, dat de Priesters, die zulke aaperijën verrichten, nogthands voor bijzondere Heiligen worden gehouden, alschoon elk een, die de zaak naauwkeurig onderzocht, zeer ligtlijk het bedrog zou ontdekken; maar 'er heerscht een dwaaze waan onder het dom gemeen, naamlijk: dat een Priester niet kan of niet, zal bedriegen. Elke Priester is in het oog der meesten een Heilig, schoon er veele Priesters zijn, die dolle liefhebbers ('er zijn nogthands ook braaven on-

der