Pagina:Vergif.djvu/147

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

149

heel hoog, en al was hij haar niet zoo heèl veel, zoo was het toch aan den anderen kant ook nooit tot zulk een leegte in haar geworden, dat zij zich geheel van hem had afgewend.

En nu was ze immers oud!—een halfvolwassen zoon; rijp aan ervaring en moe was zij; waarom zou zij zich gewetensbezwaren maken? was het niet veeleer een beetje belachelijk van haar om zich te verbeelden dat zij nog zoo gevaarlijk was?

Zij liet de menschen dus praten,—en dat deden ze,—en gaf zich zonder zorg over aan het prettige idee van tot huisvriend te hebben een knap, beschaafd man, zonder vooroordeelen, die met bewondering luisterde naar al wat haar man gewoon was overspannen ideeën te noemen.

Maar daarmee deed zij—zonder het te weten—Abraham te kort. Zij bemerkte dit des te minder omdat het samenviel met de verandering die er in den jongen had plaats gegrepen. Hij had niet langer honderd vragen te doen, hij wenschte niet langer dat zij met hem zou spelen of dammen; en bovendien had zij een gevoel van onzekerheid tegenover hem nog niet overwonnen, zoodat zij hem misschien minder vrij en blij opzocht.

Toen kleine Marius begraven werd, had mevrouw Gottwald gehoopt dat Abraham dadelijk achter het lijk zou volgen met den dominé; hij was