Pagina:Vergif.djvu/151

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

153

Het grijze zomerpak zat sluitend om zijn slanke gestalte, op zijn hoofd had hij een onmogelijken engelschen hoed, die hem voortreffelijk stond; een korte broek en in plaats van hooge laarzen droeg hij in dit warme droge weer schoenen van zeildoek met gele veters. Men kon zich het begrip "arbeid" in geen eleganteren vorm denken; en zooals hij daar stond op dat solide voetstuk, zoo intelligent en zoo zelfbewust, met zijn rol teekeningen, zag hij er van top tot teen uit zooals een hedendaagsch ingenieur er uit moet zien.

Toen hij op nieuw naar haar keek, sprong hij van den steen; want toen hij haar voor 't eerst op den heuvel ontdekte, was hij op den steen gesprongen. Hij snelde naar haar toe en wenschte haar vroolijk welkom in zijn koninkrijk; en hij wilde dadelijk beginnen met haar alles om hen heen te laten zien.

"Maar ik dacht dat u druk waart; kunt u dan maar zoo van het werk weggaan? U moogt ter wille van mij—"

"O dat is niet zoo erg; ik heb hen nu aan den gang gebracht en nu kunnen zij het wel zonder mij redden."

Ja, dat was een waar woord dachten de werklui; ze hadden niet begrepen, waarom, hun chef—zoo moesten ze hem noemen—op eens op dien steen sprong en begon te roepen en te commandeeren;