Pagina:Vergif.djvu/180

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

182

Maar dat was zijn stemming niet; hij volgde haar maar. Zelf was hij vol ongeduldige afwachting; hij berekende de gevolgen niet langer en kende heelemaal geen gewetensbezwaren; en telkens als zij hem voorbijging, werd het hem moeilijker om haar te laten passeeren zonder op te springen en haar vast te grijpen.

Na een lange pauze bleef zij midden vóór hem staan en keek hem recht in de oogen: "Maar waarom zit ge daar nu, en zegt al wat ge niet eens meent?"

"Ik ben het niet die hier zit en spreek; ik weet niet wat ik zeg, ik weet niet waar ik ben, of wat ik doe; ik weet alleen dat ik het niet langer uit kan houden."

Dat zeggende had hij zijn arm om haar middel gelegd en haar omlaag getrokken, zoodat zij in het volle schijnsel van de kachel op zijn linkerknie zat.

En hij boog zijn hoofd naar haar over en kuste haar op de wang; "we kunnen ons niet langer voor elkaar verstoppen; het is toch waar."

"Ja, het is waar," antwoordde zij moe en legde haar arm op zijn schouder.

Maar een oogenblik later maakte zij zich zacht los en stond op.

"Neen, neen," zei zij, als waren haar gedachten er nog maar half bij. Maar hij sprong op en