Pagina:Vergif.djvu/193

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

195

"Hoedanig heeft het goddelijk wezen zich geopenbaard in het woord van de Schrift?"

"Als één eenig wezen, Vader, Zoon en Heilige Geest, die toch allen één zijn en de Heilige Drieëenigheid genoemd worden."

"Kunnen wij wel met ons verstand begrijpen dat God één is, en toch tegelijkertijd drie?"

"Neen, dat gaat verre boven ons begrip, hoewel het er niet tegen strijdt; daarom is het een geloofs- en geen verstandsartikel; en God zou geen God zijn als hij door ons verstand begrepen kon worden."

"Dat was heel goed, Ole Martinius! Je weet je dingen heel goed als je maar nadenkt. Nu jij, Mons Monsen! Zijn de woorden Vader, Zoon en Heilige Geest drie verschillende namen of eigenschappen van God en niets anders?"

„Ja wel, er is meer dan alleen het verschil van naam en eigenschap, want ieder daarvan bezit iets bijzonders, wat de anderen niet hebben."

"Niet zoo gauw, mijn jongen!—Waarin bestaat dat verschil?"

"Niet in het wezen, zooals gezegd is"—antwoordde Mons Monsen in dolle vaart en zonder ergens bij stil te staan: "niet in het wezen zooals gezegd is, maar—maar het woord dat vereenigd met het water—"

"Neen, neen—Mons! nu verwar je het weer