Pagina:Vergif.djvu/209

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

211

Zij was te oud, meende zij,—voor die onberekenende liefde die aandoet als een zaligheid en dwingt als een plicht. Zij kende het leven maar al te goed om zich door eenige illusie te laten verblinden; en zij was te rechtschapen en te trouw aan haar plicht om den eisch van de anderen over het hoofd te zien.

Zij hield veel van Mordtmann, dat voelde zij. Soms kon het haar heelemaal in verrukking brengen als zij zich de zijne dacht, een leven met een man die zoo geheel één met haar was, zoo vrij van vooroordeelen, zoo moedig en zoo edel in eik opzicht.

En als zij dan dacht aan het leven dat zij verder zou moeten slijten met haar werkelijken man, dan beefde zij terug voor al die leugen; en dan walgde haar dat zóó zeer, dat het eenige wat voor haar nog het gewichtigste zou kunnen redden, een scheiding moest zijn,—een scheiding met al het feitelijke vaneenrijtende verdriet dat daaraan verbonden is,—en dan een nieuw leven,—het mocht dan worden wat het kon,—met Michal Mordtmann.

Maar zooals zij nu was, kon zij niet tot Mordtmann gaan.

En zij vergat een oogenblik al haar verdriet in een bitter medelijden met het kind, dat met geen verlangen en met geen teederheid door de moeder