Pagina:Vergif.djvu/210

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

212

tegemoet werd gezien, en dat geen welkom zou vinden bij zijn verschijning.

Zij was geen moeder die een zegen voor haar kind kon zijn; geen huisvrouw voor haar man; geen vriend om op te vertrouwen. Zij was niets voor niemand;—was het niet het beste, wanneer zij maar haar eigen weg volgde?

De dood leek haar niet zoo moeilijk; zij had zich dikwijls vertrouwd gemaakt met de gedachte van vrijwillig heen te gaan; en zij meende dat de moed haar niet zou ontbreken als het besluit eerst maar eenmaal genomen was.

Zij had geglimlacht over den hoogen toon, waarop er gewoonlijk gesproken wordt van de lafheid van hem die er de voorkeur aan geeft om zichzelf buiten het leven te sluiten; want zoozeer had zij met die gedachte omgegaan, dat zij wist hoe er moed toe noodig is,—vooral moed om te kiezen.

Moe van den wervelgang waarin haar gedachten haar geworpen hadden, verzonk zij in een stil, zwaar nadenken over één punt: of zij niet het best tegenover zichzelf en tegenover de anderen zou handelen door de nederlaag van haar leven te bekennen en als overwonnen heen te gaan,—in plaats van verder te leven op leugens en brokken,—en af te zien van datgene waarvoor zij gestreden had en waarin zij bedrogen was: