Pagina:Vergif.djvu/214

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

216

ger; veel verwachting van geluk had zij niet.

Zij was nooit in Mordtmann's woning geweest; maar zij kende zijn ramen aan de straatzijde; er was licht. Het huis was als de meeste andere in de stad, de straatdeur open, geen gesloten ingang; zij liep dus dadelijk naar zijn deur, klopte aan en ging binnen.

Michal Mordtmann stond midden in de kamer met hoed en overjas en een pas opgestoken cigaar,—en juist op het punt om de lamp in te draaien en naar de club te gaan.

Er hing in de kamer een lichte etenslucht van een warm souper, vermengd met den fijnen geur van de eerste trekken van een goede cigaar.

"Goeden avond, Mordtmann," zei zij, treurig tegen hem glimlachend: "hier kom ik tot je. Wacht maar even, tot ik een beetje bedaard ben."

Hij stamelde en kon niets zeggen, lei zijn cigaar weg en trok zijn overjas uit.

Zijn bloed was in de laatste dagen erg bekoeld; het onaangename gezicht van den professor had hem doen bedenken, dat deze geschiedenis al te ernstig werd. Mevrouw Wenche was eigenlijk ook veel te degelijk en te zwaar, om een verhouding te kunnen verdragen, zooals hij zich die had gedacht.

Zij kwam op zijn kamers, zette zich op zijn