Pagina:Vergif.djvu/238

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

240

roepen en hem zoo zacht mogelijk mede te deelen, dat hij zijn moeder verloren had.

De meiden waren niet weer naar bed gegaan; zij wachtten met ongeduld den dag af om uit te kunnen loopen met het nieuws; intusschen maakten zij het keukenfornuis aan en kookten zij koffie.

Abraham had in zijn slaap gemerkt dat men in zijn kamer de kachel aanlei, en daarom dacht hij dat het gauw schooltijd was.

Toen hij nu door zijn vader gewekt werd, vloog hij op, denkende dat hij zich verslapen had.

"Is het acht uur?"

"Neen—mijn jongen! 't Is nog maar zes uur; maar ik roep je, omdat ik je wat treurigs moet vertellen. —Je moet flink zijn, Abraham! en Onzen Lieven Heer bidden om je sterkte te geven; want wc hebben van nacht beiden een groot verlies ge leden. Je moeder is onverwacht ziek geworden—"

"Is moeder dood?" riep Abraham in vertwijfeling, zijn vader vast grijpend.

"Kalm, mijn jongen!—je ziet dat ik ook kalm ben; jij moet het ook als een man dragen, jong als je bent. Ach ja, Onze Lieve Heer heeft ons beiden een zware beproeving opgelegd; je moeder werd van nacht plotseling ziek,—een aanval van beroerte die geen menschelijke macht kon afwenden en nu—nu heeft zij het goed, en wij tweeën zijn alleen."