Pagina:Vergif.djvu/256

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

258

een stem als die van zijn moeder—plotseling door heel die vertooning heenbrak,—dat woord noemde en de komedie verried, die allen met elkaar speelden; of hém riep, hém die daar vooraan stond, gereed om te liegen?

Was hij dan de eenige leugenaar, de eenige huichelaar onder louter oprechten?

Hij dacht aan eenigen in de rij van de jongens, en aan vele anderen; de slechtste kon hij niet zijn; maar toen was hij in een zeer pijnlijke ontroering en hoorde hij niets van de psalmen waarin hij meezong.

Maar nu naderde proost Sparre langzaam van het koor om de ondervraging te beginnen; zijn gelaat was ernstig en nadenkend, terwijl hij voortloopend nog een blik in zijn altaarboek wierp, tusschen de bladen waarvan eenige velletjes met namen en cijfers geplakt waren.

Het was volstrekt geen gemakkelijke taak om de ondervraging zoo te leiden dat ieder zijn vraag kreeg, zonder dat iemand in de gemeente of de kapelaan op den preekstoel al te groote sprongen opmerkte.

Maar toen hij voor Abraham stond, klaarde zijn gezicht op; hier behoefde hij ten minste niet bang te zijn om wat ook te vragen en hij koos daarom wat hem het eerst inviel:

"In welke persoon van God gelooft gij, mijn