Pagina:Vergif.djvu/88

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

90

zelf hebben gevoeld hoeveel er gevergd wordt, hoeveel men weten moet, om maar eenigszins onzen tijd, onze positie in het leven en voor alles onze roeping als opvoeders van kinderen te begrijpen,—als wij onze kinderen naar school sturen dan is dit natuurlijk met het doel dat zij bij tijds beginnen zullen om die kundigheden te verwerven, waarvan wij bij eigen dure ondervinding weten, dat het leven die eischt."

"En gelooft u niet dat de school in die richting werkt?"

"Neen, het is heel lang geleden sedert ik dat dacht! Zie nu bijvoorbeeld Abraham eens,—maar waar is de jongen van avond?"

De professor die juist binnen kwam, zei dat hij Abraham naar bed had gezonden: "hij vroeg of je hem nog goeden nacht wou komen zeggen."

"Ja, ik zal dadelijk gaan: arme jongen! ik had hem zoo heelemaal vergeten! Maar wat ik zeggen wou: zie nu Abraham eens; hij gaat nu in 't geheel al negen jaar naar die nooit volprezen goede school; en in 't begin ging het goed; maar in de laatste jaren wordt hij, naar mijn meening, hoe langer zoo dommer en hoe langer zoo minder belangstellend. Zoo gauw als hij zijn mond opent, verraadt hij de grootste onwetendheid op het punt van de allergewoonste dingen. En het ergste is nog dat hij het eigenlijk beneden zich schijnt te