Pagina:Vergif.djvu/89

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

91

achten om werkelijk iets te leeren van de wereld, zooals die om hem heen is."

"Ja, mevrouw," viel Mordtmann in, uw zoon leeft ook in de wereld der wetenschap; hij gaat op naar den hoogen Parnassus van den geest! ik ken dat, ik heb zelf ook dien omweg om den Parnassus gemaakt."

"Wat meent u daarmee,—wat?" vroeg adjunct Aalbom.

"0 dat kan ik je heel goed zeggen: ik ruik lont," zei procureur Kahrs: "meneer Mordtmann hoort zeker tot de moderne tegenstanders van de klassieke beschaving; ik wed dat hij een hekel heeft aan latijn?"

"Ja, zeker heb ik dat."

Nu wilden er velen tegelijk spreken; maar professor Lövdahl nam het woord: "Ge zult toch zeker niet ontkennen in welken hoogen graad de studie van die heerlijke taal den aanleg van den jongen mensch, om streng en logisch te denken, ontwikkelt?"

"Er is maar één ding, professor, dat het latijn voor zoover ik gemerkt heb, bij iedereen zonder uitzondering te weeg brengt; en dat is dat het ons allemaal erg pedant maakt."

"Enkelen van ons—misschien," zei de procureur met een blik die een beetje beschaamd leek. Maar mevrouw Wenche lachtte vroolijk: "Ja,