Pagina:Vergif.djvu/90

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

92

u hebt gelijk. Van klein kind af, ergerde het me als mijn groote neven met regels latijn aankwamen, waarvan ik zeker wist dat zij geen zin hadden. En zelfs nu nog erger ik mij als oude heeren schalks tegen elkaar lachend, met een brok latijn aankomen."

"Neen, maar dat is toch een onschuldig plezier,—lieve mevrouw!" riep de oude rector nu; hij had zich een oogenblik buiten het gesprek gehouden, dat hem te warm werd: "het mag ons toch wezenlijk wel gegund worden, dat we ons verheugen in dit gemeenschappelijk bezit, dat een soort van vrijmetselarij onder ons is."

"Ja, juist," antwoordde Mordtmann, die zich voorgenomen scheen te hebben om tot het uiterste tegen te spreken: het is juist zoo karakteristiek van de beschaving van den ouden tijd, dat de geleerdheid des te pikanter werd, omdat die beperkt was tot een kleinen kring;—dat het nut, het geluk van geleerd te hebben niet bestond in het weten, maar in het iets te weten wat een ander niet wist. Maar tegenwoordig zijn er gelukkig niet velen meer die hun kinderen naar school zenden om hen in dien zin geleerd te laten worden."

In de pauze die op dit gezegde volgde, stond mevrouw Lövdahl op om haar zoon goeden nacht te gaan zeggen; bovendien werd het tijd voor het souper; het was al laat geworden.