Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/112

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

100

DE HAAS.

staand gevaar bij tijds te ontdekken en zelfs aan een oogenblikkelijk gevaar te ontsnappen. Geen oogenblik is de haas volkomen zorgeloos, hij ontwaakt door het geringste gedruis uit den slaap, uit den spreekwoordelijken hazenslaap; hij weet, door terug te loopen of door in een regten boek van de vlugtlijn te springen, door plotseling te gaan liggen en door vele andere kunststukjes zijne vervolgers in de war te brengen, en is geenszins bang voor water, maar zwemt voortreffelijk.

Het verstand van den haas is over het algemeen niet groot; intusschen ontbreekt het niet aan voorbeelden van getemde hazen, en van hazen die afgerigt waren tot het doen van dingen geheel en al strijdig met hunne uiterst vreesachtige natuur, zoo als het afschieten van vuurwapenen.

De volwassen haas is grooter dan het konijn, en dit is, met een gering verschil in de kleur, het eenige wat den haas van het konijn onderscheidt, en toch is het gemakkelijk om den haas van het konijn te onderscheiden, namelijk door de zwarte vlek aan de punt van het oor van den haas: het konijn heeft die zwarte oorpunt nooit. De haas graaft geen hol in den grond gelijk het konijn, maar maakt een soort van nest van gras en bladeren, het leger genoemd. In dat leger ligt hij regtuit op den grond, met de ooren langs den rug, en, op zijne schuilplaats vertrouwende, niet zelden zoo lang tot dat de voet van den mensch bijna op hem trapt. Maar als het zoo ver gekomen is, springt hij eensklaps op en verdwijnt als eene schaduw. In dat leger werpt het wijfje twee of driemaal in het jaar vier of vijf jongen,