Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/122

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

110

DE GRAAUWE KLAAUWIER.

Een zeer verschillende vogel is de graauwe klaauwier, Lanius collurio, ook negendooder, bruine doorndraaijer, en vinkebijter geheeten. De klaauwieren zijn meestal zoo groot als leeuwerikken, maar hun staart is langer. Zij hebben een krachtigen, van voren haakvormigen bek, die aan weerszijden eene insnijding en eene soort van tand heeft. Het zijn stoute en moordzuchtige vogels, die niet slechts veel eten, maar ook nog meer dieren dooden dan zij tot hun onderhoud noodig hebben. Zij eten allerlei insekten en soms ook muizen, spitsmuizen en kleine vogels. Zij hebben eene zonderlinge gewoonte, namelijk om de gevangene dieren aan doornen te hechten of tusschen een paar takken van struiken vast te klemmen, en daarna eerst den buit te verslinden, of wel zij bewaren hem op die wijze voor later.

De graauwe klaauwier is op den nek en den stuit aschgraauw, van boven roodbruin, de slagpennen en de staart zijn zwart en van onderen is hij licht rozerood van kleur. Het wijfje en de jongen zijn van boven roestkleurig en van onderen wit. Deze vogel leeft op boomen en doornstruiken, vooral aan den zoom der bosschen. Jonge vogels doodt hij vooral om de hersenen, waarop hij zeer verlekkerd schijnt te zijn. Hij zingt aangenaam en kan allerlei geluiden nabootsen, zelfs het geblaf van honden, zegt men. Het nest wordt van mos en wortels van planten gemaakt, van binnen met haar en wol gevoerd, en ongeveer acht voet boven den grond in heesters en boomen opgehangen.

Een veel minder roofzuchtige vogel is de kuif-