Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/126

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
114
DE KLIET. DE WULP.

enkel woord over de kliet, Haematopus ostralegus, die oesters van het zeestrand opneemt en op de toppen der duinen voert, en zoodoende ten deele de oorzaak is van de aanwezigheid van stukjes schelpen in het duinzand. De kliet, in Groningen oestervisscher, in Friesland lieuw, en te Amsterdam zeekiewiet genoemd, is ongeveer vijftien duim lang, doch daarvan gaan er drie duim voor den snavel en vier duim voor den staart af. Van boven is zij zwart en van onderen wit, de bek is oranje, de pooten zijn donkervleeschkleurig en de oogen karmijnrood van kleur. De kliet nestelt in onze duinen, alsmede op die van de meeste kusten van ons werelddeel. In September vertrekt zij, en komt in April bij ons terug, ofschoon zij ook wel bij ons overwintert. Zij vliegt en loopt zeer snel; zij boort, om voedsel te zoeken, gaten in het strand en in het zand der duinen, en keert met den bek de op het strand liggende schelpen, hoorns en steentjes om, ten einde de diertjes die daaronder mogten schuilen, op te zoeken. Wormen, garnalen, kleine vischjes en schelpweekdieren vormen haar voornaamste voedsel. Als zij opvliegt, hoort men haar schelle stem. In Junij legt het wijfje twee of drie eijeren, zoo groot als kippeneijeren, die bruinachtig met zwarte en grijze stippen zijn, in een kuil van het zand.

Reeds hebben wij verscheidene vogels behandeld die in ons land verschillende namen dragen: dit is ook het geval met den wulp, Numenius arquata: immers men noemt hem in Groningen wilp of groote wilp, in Gelderland tuter en zandtuter, regenfluiter, en