Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/144

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
132
DE LANGPOOT. DE ZWEEFVLIEG.

een vermoeijenden togt in de duinen, rustig denkt te slapen. Niet slechts houden deze diertjes u wakker door hel geluid dat zij maken en dat men gewoon is zingen te noemen, maar nog beter weten zij den éérsten slaap te verstoren door hunne lastige of liever pijnlijke beten. De wijfjes alleen doen dat, de mannetjes zijn er onschuldig aan: men weet niet eens of zij wel ooit in hun volkomenen toestand voedsel gebruiken. Het wijfje gaat, om bloed te zuigen, op de ontbloote gedeelten van de huid van den mensch zitten, en duwt haar mond, die zoo scherp als een naald is, in de huid. Waar zij gezogen heeft, ontstaat eene ligte ontsteking der huid. Wij behoeven hier deze diertjes niet te beschrijven, daar zij algemeen bekend zijn.

Ook de gewone langpoot, Tipula oleracea, in Friesland als de langbeenige mug bekend, komt op de duinen voor, en is eveneens zeer bekend: men wil dat zijne larve zeer schadelijk in weilanden is.

Niet zelden ziet men in het voorjaar boven eene bloem in de lucht stil staande, op de wijze der onrustvlinders waarover wij boven spraken, de groote zweefvlieg, Bombylius major. Met trillende vleugelslagen staat zij soms langen tijd stil en zuigt met haar lange slurf honig uit bloemen. Het diertje is eigenlijk zwart van kleur, maar de menigte gele haartjes die het bedekken, maken dat men meenen zou dat het geel van kleur is.

Nu nog een enkel dier, namelijk eene spin of liever eene bastaardspin beschouwd, en wij besluiten onze insektenstudie. Hooiwagen is de naam waaronder bij