Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/145

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

133

DE HOOIWAGEN.

ons algemeen het dier bekend is, dat door de geleerden Phalangium opilio geheeten wordt. Wie kent hem niet den hooiwagen met zijne in verhouding tot zijn ligchaam zoo lange, dunne pooten, die zoo ligt afbreken of uit het lijf loslaten, en die, los op den grond liggende, zich nog eenigen tijd krampachtig heen en weer bewegen. De hooiwagen zit veel tegen muren, boomstammen en schuttingen aan, doch ook niet zelden zit hij op bloemen of bladeren met ver uitgespreide pooten of loopt op het warme duinzand rond.

En dat zijn dus slechts de meest in het oogvallende insekten der duinen—wie zal ze allen beschrijven die spinnen, mijten, rupsen, kevers, vliegen, wespen en hoe zij verder heeten mogen!

De lezer die er meer van wil weten, neme werken ter hand die over insekten handelen.

En nog iets, hoewel het getal der weekdieren onzer duinen niet groot is, mogen wij hier toch niet verzuimen om over de duinslak, Helix ericetorum, te spreken, daar zij, gelijk wij vroeger reeds gezien hebben, zulk een groot aandeel heeft in het leveren der schelpbrokjes die met het duinzand vermengd zijn.