Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/151

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
139
DE DUINROOS. DE BRAAMBES.

neemt, ten gevolge van de kromme, stevige haartjes of stekeltjes die de geheele plant en ook de vrucht bedekken. Op dit kleefkruid leeft de olifantrups, waarvan wij boven gesproken hebben.

 De bleeke duinroos aan den wind
 Ten prooi op 's heuvels top.
 Die kweekgrond voor haar wortels vindt
 Noch steunsels voor haar knop

maar echter

 Wat haar bloei belaagt

toch

 Geuren walmt en vrochten draagt,

zoo als Beets zingt, is nu aan de beurt om kortelijk besproken te worden. Beschrijven behoeven wij haar niet: het is de eenige witte roos onzer duinen, het is het duinroosken van Dodonaeus, de Rosa pimpinellifolia der plantkundigen. De duinroos met hare talrijke stekels, kleine blaadjes, witte bloemen en zwarte vruchten dient mede om het losse duinzand bijeen te houden. De eenige witte roos onzer duinen, zeiden wij boven, en zeker te regt, want de wilde of hondsroos, Rosa canina, komt ook wel tusschen andere struiken op de duinen voor, doch heeft eene fraaije rozeroode bloem en oranjekleurige of roode vruchten, de bekende rozebottels.

Ook de braambes, Rubus caesius, is bekend genoeg: wie heeft, op de duinen wandelende, geen bramen gezocht en zijne vingers blaauw geverwd met het zure verfrisschende sap dier vruchtjes, hoewel de digt met stekels bedekte stengel dier plant het plukken wel