Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/152

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
140
VIOOLTJES. DE TIJM.

eens onaangenaam maakt. Hare diepliggende voortkruipende wortels houden het zand bijeen.

Alweder is het een vers van Beets dat ons te binnen komt bij het zien van de viooltjes die onze duinen versieren. Immers:

 Ginder op het gele duin
 Groeijen geurige violen,
 Met de kleine paarsche kroin
 Onder mos en tijm verscholen.

zegt hij naar waarheid. Is 't niet genoeg dat wij hier slechts melding maken van de beide soorten van viooltjes die het meest op de duinen groeijen, het hondsviooltje, Viola canina, en het driekleurige, Viola tricolor. Of wil men het onderscheid weten: de middenste bloembladeren van het driekleurige viooltje staan gelijk de twee bovensten naar boven gerigt, en de stempel is een hol kogeltje: de middenste bloembladeren van het hondsviooltje daarentegen staan horizontaal uitgespreid en de stempel is een haakvormig puntje. De bloemen van het driekleurige zijn klein, bleekgeel met paarsch gestreept, en het heeft een regtopstaanden stengel, die in de oksels der bladeren den bloemstengel draagt, terwijl de bloemen van het hondsviooltje blaauwachtig zijn en op stengels staan die uit den wortelstok ontspringen, en niet door een gemeenschappelijken stengel gedragen worden.

Een der geurigste plantjes der duinen is de wilde tijm, Thymus serpyllum, een overblijvend plantje dat van Julij tot September met kleine paarsche bloemen bloeit, en meest in zoden groeit uit talrijk liggende