Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
44
BEGROEIDE DUINEN.

op zandgrond groeijen. Men heeft waargenomen dat de duinen, ofschoon zij niet door een boschstreek achter hen beschermd worden, zich zelven beginnen te beschutten, zoodra de mensch er zijn voet niet meer op zet en zij voor het grazende gedierte afgesloten worden. Kruiden en boomen slaan in eens op, eerst in de dalen of duinpannen en dan op de oppervlakte der heuvels.

Elk zaadkorreltje dat ontspruit, houdt door zijne wortels zekere hoeveelheid zand bijeen, beschaduwt een klein plekje gronds door zijne bladeren en geeft voedsel en beschutting voor andere jongere en kleinere planten. Eenige gunstige jaargetijden zijn voldoende om de geheele oppervlakte zamen te houden met een plantennet, en de weerstandbiedende magt der duinen zelven en de bescherming die zij geven aan de velden die er achter liggen, staan in eene juiste verhouding tot het aantal en de digtheid van de planten die er op groeijen.

De groei van het plantenkleed kan natuurlijk zeer bevorderd worden door eene goede beplanting en de noodige zorg. Daarom ook wordt er in vele landen met zoo veel ijver voor het onderhoud der duinen gezorgd: bijna overal in Europa beplant men de duinen met den zeeden, den groven den, de Ailanthus glutinosa en andere planten die op zulke gronden tieren. Ook in ons land neemt Dr. Staring de proef van eene beplanting der duinen met den groven den, en het schijnt of die proef zal gelukken. Maar hoe het ook zij, toch zijn de duinen overal zeer nuttig als natuurlijke zeeweringen al hoe groot de oppervlakte vruchtbaar land ook is die zij bedekken en al hoe veel kwaad zij kunnen doen door het verstuiven.