Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/58

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
46
DE HELMPLANT.

om zoo niet bebouwd te worden, toch ten minste geschikt om boomen te voeden. Krause noemt 171 planten op als op het strand van Pruissen groeijende, en de waarnemingen van Andresen in Jutland brengen het getal dier zandplanten tot 234 soorten.

Sommigen dier planten groeijen bij uitsluiting op zandgrond en tieren slechts wel in een zeeklimaat. Tot dezen behoort vooral de voornaamste plant der duinen, de Arundo arenaria of arenosa, of Psamma of Psammophila arenaria, of hoe de geleerden haar ook mogen heeten, de helm in het nederduitsch, klittetag of hjelme in het deensch, dünenhalm, sandschilf of hügelrohr in het duitsch, gourbet in het fransch en marram in het engelsch. De helm groeit tot eene hoogte van ongeveer vier en twintig duim op, en zendt zijne sterke wortels met hunne talrijke draadwortels tot veertig of vijftig voet ver om zich heen. De helm heeft de bijzondere eigenschap van het best in den meest lossen grond te groeijen, en eene zandbui schijnt hem te verfrisschen, gelijk eene regenbui de dorstige planten van de weide en het bouwland verkwikt. Zijne wortels binden het zand aaneen, en zijne bladeren en halmen beschutten de oppervlakte. Als het zand ophoudt in beweging te zijn, sterft de helm: zijne vergaande wortels maken het zand vruchtbaar, en zijne verrottende stengels en bladeren vormen eene laag van teelaarde of plantenmodder op de duinen. Dan ontstaat er eene opvolging van andere planten, mossen, korstmossen, grassen en heesters, en dezen maken door te groeijen en te vergaan de zandheuvelen geschikt voor weide-