Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/143

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DODECATHEON MEADIA Linn. Var. ELEGANS.

Nat. Familie:

PRIMULACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

PENTANDRIA MONOGYNIA (Vijfmannige-Eénwijvige)[1].

 

 

De Familie der Primulaceën, hoewel niet bijzonder rijk aan geslachten, bevat een vrij groot aantal soorten, die als 't ware het burgerregt in de tuinen verkregen hebben.

't Zijn over het algemeen wat men zou willen noemen „lieve planten", zich meestal kenmerkende door een nederigen groei en een milden, sierlijken bloei, en waarbij zeker het geslacht der Sleutelbloemen (Primula) niet de geringste plaats bekleedt. Zelfs de eenvoudigste onder deze, de gewone Stengellooze Sleutelbloem (Primula acaulis), die vroeg in 't voorjaar tusschen 't kreupelhout door de dan deels nog maar half verteerde, op den grond verstrooide bladeren van den vorigen zomer met hare heldergele bloemen heenboort, doet zich dan hoogst bevallig voor. En wie vindt ze niet mooi, zeer mooi zelfs, al zijn ze ook zoo „gemeen", dat men ze voor een paar centen op de markt koopen kan,die gewone Sleutelbloemen (Primula officinalis), gewoonlijk Primula veris genoemd, of die Aurikels (Pr. Auricula), met hare prachtige, fluweel-kleurige, gewoonlijk sierlijk geboorde bloemen, die men echter tegenwoordig maar schaars meer aantreft?

En hoe gaarne zien we de Basterdmuur (Anagallis arvensis) niet, met hare fraaije, hoewel niet groote, blaauwe en roode bloempjes; de verschillende soorten van Wederik (Lysimachia), waarvan hier te lande mede eenige soorten in 't wild groeijende voorkomen; inzonderheid de rondblondige W. of het Penningkruid (L. Nummularia), die met hare lange, vlak op den grond


  1. Zie de noot onder bladz. 3.
21