Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/185

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

KALMIA LATIFOLIA Linn.

Nat. familie:

ERICACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

DECANDRIA MONOGYNIA (Tienmannige-Eénwijvige)[1].

 

 

Vrij algemeen vindt men in de handelscatalogi, inzonderheid der buitenlandsche kweekers, eene rubriek van heesters voor de tuinen aangeboden, onder den titel: Plantes de terre de bruyère (planten die in heigrond geplant moeten worden), en juist de meeste daarvan kenmerken zich door een uitnemend fraaijen bloei, maar tevens daardoor, dat ze meest overal na twee, drie of vier jaren sterven, of, zoo ze al blijven leven, er dan zóó kommerlijk uitzien, dat men doorgaans besluit om ze maar op te ruimen. Sommigen beproeven het dan nog eens op nieuw, maar gewoonlijk met denzelfden ongunstigen uitslag, tot men eindigt met te zeggen: die heesters mogen fraai bloeijen, men heeft er toch niets dan verdriet van.

Om nu hierin eenigzins tegemoet te komen, geven de kweekers erbij op in welken grond men ze planten moet.

Ongelukkigerwijze leidt juist deze opgave den liefhebber gewoonlijk van het spoor. Terwijl hij toch anders alligt zou meenen dat het best was om ze te planten in een grond, zooveel mogelijk overeenkomende met dien waarin ze bij den kweeker groeiden, bevelen allen als uit één mond, en als door eene zelfde inspiratie gedreven of door dezelfde uitkomsten daartoe geleid, hei-aarde aan, en zeggen alzoo, alleen om niet te breken met eene geijkte gewoonte, iets anders dan wat ze bedoelen.

Dit is nu niets voor hem die weet waaraan zich in dit opzigt te houden, maar de meeste


  1. Zie de noot onder bladz. 65.