Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/227

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

CYDONIA JAPONICA Pers.

Nat. familie:

POMACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

ICOSANDRIA PENTAGYNIA (Twintigmannige-Vijfwijvige)[1].

 

 

Gisteren wandelde ik in den tuin met een drietal heeren, die, voor verscheidene jaren naar Indië vertrokken en achtereenvolgend nog niet lang geleden, met Insulindes weldaden gezegend, vandaar teruggekeerd waren. 't Wekte blijkbaar aangename gewaarwordingen bij hen op, om hier, bij afwisseling, buiten in de eerste voorjaarsbloemen oude bekenden van hun vroeger leven in Holland, en, in de kassen, die van hun leven in 't land der Palmen en Bananen, van Koffij, Suiker, Rijst en Indigo aan te treffen.

Tegen den muur eener hooge oranjerie stonden, digt bij elkander, eene rood bloeijende Japansche Kwee en eene zoogenoemde witte, beide op de nevenstaande plaat afgebeeld, waaruit blijkt dat de bloemen dezer laatste verre van zuiver wit zijn. Maar dat is nu tot daaraantoe.

Bij die witte, welke even als de andere tegen den muur uitgebonden was en dezen, vlak tegenover het Zuiden staande, over eene vrij aanzienlijke oppervlakte, tot op eene hoogte van ongeveer vier meters, op eenigen afstand gezien, als met een kleed van zacht rose met wit genuanceerd overtrok, bleven we staan.

Aan dien heester was eene etiquette gehecht, waarop te lezen stond: Cydonia Japonica Pers. flore albo.


  1. Zie de noot onder bladz. 49.
35