Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/246

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

150

De Narcissen zijn planten die in Europa 'thuis behooren, al worden ook enkele elders, b.v. in het Noordelijk gedeelte van Afrika, aangetroffen. Het Zuidelijk gedeelte van ons werelddeel, inzonderheid de landen aan de Middellandsche Zee gelegen, kan als de bakermat van dit geslacht beschouwd worden. Enkele komen ook iets Noordelijker voor, b. v. in Duitschland en in Engeland, terwijl ook een tweetal soorten, de gemeene Narcis (N. pseudo-Narcissus) en de dichters-Narcis (N. poëticus), hier te lande wild groeijend aangetroffen worden. Men mag echter zoo goed als zeker aannemen, dat geen van beide oorspronkelijk hier tehuis behooren, niettegenstaande de eerste op onderscheidene plaatsen van ons vaderland, in vochtige weilanden en langs slooten, aangetroffen wordt; de dichtersN. echter is veel zeldzamer. Hoogst waarschijnlijk zijn ze uit de tuinen, waar ze nog al veelvuldig aangetroffen worden, zooals men dat noemt verdwaald en later verwilderd.

De naam Narcissus is reeds van Griekschen oorsprong en beteekent, met eene kleine wijziging in den uitgang van het woord, verdooving of hoofdpijn, welke het gevolg zijn van den sterken geur der bloemen; terwijl aan den anderen kant dit woord ook in de fabelleer voorkomt; immers de dichters verhalen dat een zeker beeldschoon jongeling, Narkissos geheeten, in het heldere water eener bron ziende, op zijne eigene, door 't water weerkaatste beeldtenis verliefd werd en op 't zelfde oogenblik in eene bloem—later de dichters Narcis (N. poëticus) genaamd—veranderde.

Hoeveel verscheidenheid de talrijke soorten van dit geslacht ook onderling in bloemvorm opleveren, is toch zonder moeite in alle dezelfde type terug te vinden; alleen de groote dubbelbloemige zouden voor den in dit opzigt geheel onkundigen leek, maar ook alleen voor dezen, eenige moeijelijkheid kunnen opleveren. Toch is dat verschil aanzienlijk genoeg dat men niet geaarzeld heeft om het geslacht in niet minder dan tien geslachten te splitsen. Hierover echter zoo aanstonds nader.

De dichters-Narcis, ontegenzeggelijk eene der allerfraaiste en tevens der meest algemeen verbreide soorten, kan als de type van het geslacht beschouwd worden. We willen derhalve kortelijk nagaan uit welke deelen die bloem bestaat.

Uit de in den grond verborgen bol komen in het voorjaar eenige lange, smalle bladeren voort en tegelijk met deze een bloemsteel, in dit geval in ééne, bij vele andere soorten in meerdere bloemen uitloopende, die aanvankelijk in een licht bruinachtig, vliezig schutblad besloten waren, 't welk later onder de geopende bloemen bevestigd blijft. De bloem bestaat vooreerst uit een uit zes blaadjes zamengesteld bloemdek, die bij deze soort niet volkomen, maar toch genoegzaam van gelijken vorm, bij andere zuiver gelijkvormig zijn.

Binnen de bloemkroon vindt men een komvormig orgaan, eene bijkroon genoemd, door sommigen als eene wijziging der honigbakjes beschouwd. Deze bijkroon is van binnen citroengeel, terwijl de gekartelde rand donker oranjekleurig is.

Die bijkroon is het, die aan de Narcissen de meeste schoonheidswaarde geeft; immers, is die maar weinig ontwikkeld, maar des te sierlijker van kleur bij de typische soort, bij andere neemt zij in omvang toe, en verkrijgt eindelijk bij de trompet-Narcissen eene klokvormige