Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/287

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

CAMPANULA MEDIUM Linn.

Nat. familie:

CAMPANULACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

PENTANDRIA MONOGYNIA (Vijfmannige-Eénwijvige)[1].

 

 

Het geslacht der Klokjesbloemen (Campanula), in verschillende gedeelten van Europa door een vrij groot aantal soorten vertegenwoordigd, kan met het volste regt tot de oudste lievelingsbloemen gerekend worden.

Niettegenstaande het aantal bekende soorten van ware Campanula's meer dan twee honderd bedraagt, behalve een niet gering getal verscheidenheden, zoo mede vele soorten die, weleer hiertoe gerekend, later tot afzonderlijke geslachten gebragt werden, en waarvan wij er vroeger reeds eene bespraken (Specularia Speculum, zie pl. 30, door velen nog Campanula genoemd), is het volstrekt niet gewaagd te beweren, dat alle om hare fraaije, grootere of kleinere, meestal blaauwe bloemen verdienen gekend te worden. Ook is het getal van soorten, welke om die reden in de tuinen voorkomen, vrij aanzienlijk, daar sommige wel is waar meer plaatselijk, andere daarentegen zóó algemeen verspreid zijn, dat ze schier nergens te vergeefs gezocht worden.

Over 't algemeen zijn de Campanula's kruidachtige, veelal overblijvende of tweejarige, deels echter ook éénjarige planten, die voornamelijk de gematigde en koudere streken van het Noordelijk halfrond bewonen. Ze kenmerken zich o. a. ook daardoor, dat ze meestal tweeërlei bladeren hebben, n.l. zoogenaamde wortelbladeren, dat zijn die welke onmiddellijk uit den grond te voorschijn komen, en stengelbladeren, die aan de opgerigte stengels verschijnen. De eerste zijn


  1. Zie de noot onder blz. 13.
45