Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/288

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

178

breeder en gesteeld, de laatste daarentegen smaller en ongesteeld. Dit verschijnsel staat echter niet op zich zelf, immers men merkt het bij zeer veel overblijvende en tweejarige planten op; bij de laatste verdwijnen gewoonlijk de wortelbladeren, wanneer de bloemdragende stengel naar boven schiet. Bij deze gewassen verschijnen in het eerste jaar alleen deze, die zich dan gewoonlijk vrij sterk ontwikkelen; in het tweede jaar echter komt de beurt aan de stengbladeren, terwijl de andere tijdens den bloei te vergeefs gezocht worden, en de stengel van onderen dan somtijds zelfs gedeeltelijk kaal is.—

Wat is het dat de Campanula's zoo fraai maakt in de oogen van iedereen?—Ontegenzeggenlijk de bloemen. En toch zijn deze hoogst eenvoudig van vorm en schitteren ze niet door hare kleuren.

De meeste zijn, gelijk ik reeds opmerkte, blaauw; enkele, en dat zijn voornamelijk verscheidenheden van oorspronkelijk blaauwe soorten, hebben eene licht roode, sommige andere eene zuiver witte kleur. En toch, hoe eenvoudig van vorm en van kleur, maken die bloemen steeds een aangenamen indruk.

Het is de fraaije vorm der bloemkroon, hare onberispelijke regelmatigheid, die hiervan ongetwijfeld de oorzaken zijn. Menige andere bloem dwingt ons door haren fantastischen vorm en door de verscheidenheid van schitterende kleuren een uitroep van verwondering af, vóór eene bloeijende Campanula staande, zeggen we: hoe schoon! 't woord prachtig zweeft ons hierbij niet op de lippen, en toch zien we er met niet minder welgevalllen naar.

Wanneer we ons in eene streek bevinden, waar smaakvolle villa's elkander afwisselen, waar men niet weet wat een lagchender aanzien heeft, de talrijke bloemperken, het frissche gazon of de elegante huizen, dan zeggen we dat we ons in eene schoone streek bevinden en verkeeren we in eene opgewekte stemming;—wanneer we morgen eene landstreek doorwandelen, waar de frissche weilanden, met gezond vee bevolkt, slechts afgebroken worden door golvende graan- of bloeijende boekweitakkers en hier en daar door eene boerenwoning, met een eenvoudig dorp in 't verschiet, waar het spitse torentje tusschen de roode of rieten daken en de groene boomen uitsteekt, dan zeggen we óók dat we ons in eene schoone streek bevinden, en verkeeren we óók in eene opgewekte stemming; maar.... schoon en schoon is twee, en alle opgewektheid is dezelfde niet.

De lezer zal mij wel begrijpen al voeg ik hier dienaangaande niets meer bij.—

Terwijl koch in zijn Tasschenbuch der Deutschen und Schweizer Flora niet minder dan een dertigtal soorten van Klokjesbloemen als in Duitschland en Zwitserland inheemsch vermeldt, worden er in ons land hoogstens een achttal in wilden staat aangetroffen, waarvan het meest algemeen is de kleine doch niettemin zeer sierlijke rondbladerige Kl. (Campanula rotundifolia), die 't overvloedigst op hooge drooge gronden voorkomt, en dientengevolge vooral in sommige gedeelten van de Provincieën Gelderland en Utrecht aangetroffen wordt; wat echter niet wegneemt dat men dit lieve, kleine plantje ook in andere streken van ons land hier en daar vinden kan. Jaarlijks bewonder ik er o.a. een aantal tegen een muur van de Zijlpoort te Leiden, waar ze zich in de voegen der steenen genesteld hebben, en er zóó frisch groeijen en zóó mild bloeijen, als stonden ze in den vruchtbaarsten bodem.