Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/347

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
 

DEUTZIA CRENATA Sieb & Zucc var. FLORE ROSEO-PLENO.

Nat. familie:

PHILADELPHEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

DECANDRIA TRIGYNIA (Tienmannige-Driewijvige)[1].

 

 

Ik moet beginnen met de verklaring dat de hier nevensstaande plaat van eenen nog niet zeer lang in onze tuinen bekenden heester diens prachtigen bloei niet in alle opzigten naauwkeurig vertegenwoordigt, ofschoon toch de tak, welke onzen bekwamen teekenaar tot model strekte, met zeer veel getrouwheid wedergegeven is. Maar het is slechts het bovenste gedeelte of de top daarvan, en, daar die bloeijende tak zóó lang en breed was, dat zelfs het grootste formaat daarvoor veel te klein zou zijn, vond ik het verkieselijker het topgedeelte in zijn geheel, dan een lager deel afgebroken te kiezen, aangezien dit toch altijd een veel beter en juister denkbeeld geeft van de bloeiwijze.

Het eenige wat dit tegen heeft is dat deze onder aan den tak met de boven aanzittende verschillen. De onderste toch zijn veel langer niet alleen, maar ook meer zamengesteld, zoodat, terwijl de bloemen op onze plaat tot gewone "trossen" vereenigd zijn, die, welke lager voorkomen, "zamengestelde trossen" of veeleer "bloempluimen" vormen. Draagt hier elk steeltje slechts ééne bloem, dáár zijn de onderste steeltjes veel langer, en vormen ieder op zich zelf een kleinen tros, uit vier of vijf bloemen zamengesteld; hetwelk naar den top toe (ik spreek hier van de afzonderlijke bloeiwijzen) afneemt, zoodat het geheel, in plaats van een min of meer cilindrisch, een piramidaal voorkomen verkrijgt.

Dat derhalve die onderste bloeiwijzen veel rijker aan bloemen zijn spreekt van zelf, en dat


  1. Zie de noot onder bladz. 17.—De Orde der Driewijvige wijst op de aanwezigheid van drie stijlen.
55