Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/481

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

307

groot gedeelte der aarde verspreid zijn, maar inzonderheid in de landen tusschen en nabij de keerkringen gelegen voorkomen.

Men treft er echter in de verzamelingen slechts hier en daar eene enkele van aan, 't welk ligt te begrijpen is, daar ze meest alle in de kassen, en dan nog wel in de warme kassen, gehouden moeten worden, terwijl ze zich daar gewoonlijk alles behalve sierlijk ontwikkelen en met vele tropische Papilionaceën dit gebrek gemeen hebben, dat ze, hoe fraai ook als ze op hare natuurlijke standplaatsen aangetroffen worden, in onze kassen lang en slank opgroeijen en schaars bloeijen.

Voor de tuinen leverde dit geslacht tot hiertoe maar zeer weinig op. Slechts de reeds in 't laatst der zeventiende eeuw uit N. Amerika ingevoerde Desmodium canadense, eene vaste plant, die ons klimaat verdraagt en een niet onbevallig voorkomen heeft, inzonderheid als ze met hare helder paarsachtig purpere bloemen prijkt, komt hier en daar, maar toch genoegzaam uitsluitend in de wetenschappelijke inrigtingen voor, terwijl onder die voor de warme kas inzonderheid de Indische Telegraafplant (Desmodium gyrans), uithoofde van de eigenaardige beweging der blaadjes, waardoor deze plant tot de grootste en tevens raadselachtigste botanische merkwaardigheden behoort, bij de liefhebbers zeer gezocht is.

Misschien was de weinige reputatie, welke het geslacht genoot, min of meer oorzaak dat, toen in 1864 eene nieuwe, kortelings van Japan in het etablissement van von Siebold & Co. bij Leiden ingevoerde soort van Desmodium in den handel gebragt werd, deze maar een middelmatig onthaal genoot, en dat wel niettegenstaande—misschien, hoe vreemd het klinke, juist om—den lagen prijs (ƒ1,50), waarvoor zij aangeboden werd.

Deze plant was toen nieuw niet alleen als handelsplant, maar ook voor de wetenschap; althans de Hoogleeraar Oudemans, wien een tak ervan gezonden was, kwam tot het besluit, dat het eene nog onbeschrevene soort van Desmodium moest zijn; de plant moest dus gedoopt worden, en geen beter naam scheen dezen kruidkundige daarvoor geschikt dan een, die een zeer sprekend karakter dezer plant uitdrukte. Hij noemde haar dus de Desmodium met hangende bloemen (D. penduliflorum), en beschreef en beeldde haar af in het 2e deel van het door hem geredigeerde werk Neêrlands Plantentuin. Ziedaar de geschiedenis onzer plant. Gaan we nu eens na hoe ze er uitziet.

Hoewel in den zomer, als ze zich krachtig ontwikkelt, een min of meer heesterachtig voorkomen hebbende, behoort ze toch eigenlijk, althans bij ons, en vermoedelijk ook in Japan, tot de vaste of overblijvende, d.z. jaarlijks bij den grond afstervende planten.

De stengels, die in 't voorjaar dan op nieuw te voorschijn komen, groeijen forsch en bereiken tot 2 à 2½ meter hoogte. De blaadjes zijn zamengesteld en drietallig, evenals die van de Klaver, en uit het oksel van ieder blad komt eene bloemtros te voorschijn. Dit ontwikkelen van bladeren en bloemen gaat van 't begin van September af tot zeer laat in 't najaar onafgebroken voort. Het topgedeelte der stengels vertoont steeds een aantal jonge en naar boven toe jongere bloemtrossen, die zich tegelijk met de jonge, dan nog maar zeer kleine blaadjes ontwikkelen. Het aantal dezer bloemtrossen is dan ook steeds zeer aanzienlijk.