Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/493

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

315

den grond afsterven, terwijl datgene wat in den grond verborgen is blijft voortleven. Dit nu is de eigenlijke stengel, die zich in dit geval tot eene knol ontwikkelt, welke bij de ééne soort niet grooter wordt dan eene noot, bij andere meer dan 15 centim. dikte bereikt, altijd breeder dan hoog is, en daardoor op een sterk samengedrukten bol gelijkt. Gewoonlijk is die knol geheel onder den grond verborgen, zoodat men niets anders dan de zich daaruit ontwikkelende bladeren en bloemen te zien krijgt. Somtijds echter rijst hij ongeveer ter helfte boven den grond uit.

Hieruit komen van onderen een aantal wortelvezels te voorschijn, die in den grond dringen om daarin voedsel te zoeken, van welk voedsel die bovenmatig dikke onderaardsche stengel als het depot te beschouwen is.

De bladeren dezer planten zijn steeds van steeltjes, ter lengte van p.m. een decimeter, voorzien; die steeltjes zijn veelal roodachtig, even als dit met de achterzijde der bladeren van onderscheidene soorten het geval is.

Het bovenvlak is schier donkergroen te noemen, maar veelal tevens met een lichteren kring geteekend, welke kring of krans een gemarmerd voorkomen heeft en het blad dan werkelijk sierlijk maakt. Dikwijls zijn die bladeren, hoewel niet zeer diep, ingesneden, somtijds alleen van ondiepe karteltjes voorzien; ook treft men 't wel eens aan dat de bladeren van verschillende planten van ééne en dezelfde soort eenig verschil in dit opzigt vertoonen.

Nadat de plant, na het rijpen der zaden, 't resultaat van een vorigen bloei, eenigen tijd in slapenden toestand heeft doorgebragt, verschijnen de bladeren en bloemen schier tegelijkertijd, waarbij nú deze en dan gene een weinigje vooruit komen; naar den tijd der ontwikkeling onderscheidt men dan ook zoogenoemde vóór- en najaars-Cyclamens; de Klimopbladige behoort tot deze laatste.

Ieder bloempje wordt door een afzonderlijk steeltje gedragen, dat aan den top omgebogen is. Reeds het knopje ziet er lief uit. Dit is rolrond, ongeveer 2 centim. lang, en door den nu beter dan later zigtbaren vijfspletigen kelk omvat. De bloemblaadjes liggen spiraalvormig over elkaar gewonden, en het geheel is met den top naar beneden gerigt.

Opent zich de bloem, dan slaan de bloemkroonslippen zich om, met den top naar boven, en bezien we de bloem dan naderbij, en wel allereerst van achteren, dan blijkt terstond dat we hier niet met afzonderlijke bloemblaadjes te doen hebben, maar met een vergroeidbladige bloemkroon. De vijf bloemblaadjes zijn namelijk tot op 13 hunner lengte zamengegroeid en vormen daardoor eene buis, die met de opening naar beneden gerigt is, terwijl alleen de vrij gebleven uiteinden dier blaadjes zich naar boven omgewend hebben.

Openen wij die bloemkroon, dan vinden we vijf helmknopjes, die tegen elkander liggen en zoodoende een spits kegeltje vormen; deze zijn genoegzaam ongesteeld, zoodat hier van helmdraadjes bijna geen sprake kan zijn. Daar binnen bevindt zich het vruchtbeginseltje, in een stijltje uitloopende dat boven de meeldraden, en bij sommige soorten zelfs buiten de bloemkroonbuis uitsteekt.

Is de bloeitijd over dan merken we bij deze planten een zeer eigenaardig verschijnsel op.