Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/84

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

42

Soortgelijke inconsequenties staan in ons doen en laten echter niet alleen; ik zal er dus maar niet langer bij stilstaan.

De Wisteria chinensis—veelal ook bij haren ouderen naam Glycine chinensis[1] genoemd—verkeert echter niet in dit geval; ze behoort zelfs tot die planten, van welke men kan zeggen, dat ze algemeen verspreid en geliefd tevens zijn.

En zoo er ééne plant is, die onderscheiding ten volle waardig, dan gewis is zij het, en dat wel evenzeer om het vrolijke groen harer sierlijke bladeren, als om den ongemeen snellen groei en den schier voorbeeldeloos milden voorjaarsbloei.

De Blaauwe Regen—aldus noemt men haar vaak in 't Hollandsch, alleen om de overeenkomst in vorm der bloemtrossen met die van de Gouden Regen—is een klimmende heester en als zoodanig hoofdzakelijk geschikt om tegen muren geplant te worden, die ze in zeer korten tijd volkomen bedekken, hoe hoog ze ook zijn. Zijn die muren van latten voorzien, dan winden de stengels zich daaromheen; anders moet men ze gestadig aanbinden, daar ze zich niet, even als die van het Klimop, door middel van luchtwortels vasthouden.

De plant is oorspronkelijk van Chineeschen oorsprong en ongetwijfeld van daar naar Japan, alwaar ze zeer menigvuldig aangekweekt, en, gelijk wij aanstonds zien zullen, zeer op prijs gesteld wordt, reeds vóór lang overgebragt. In Europa werd ze in 't jaar 1816 door zekeren kapitein Welbank ingevoerd en al spoedig, allereerst in Engeland en vervolgens over het vaste land, verspreid.

Tot vóór betrekkelijk korten tijd kende men alleen deze; maar 't zal nu welligt veertien of zestien jaar geleden zijn—het jaartal vind ik nergens opgegeven—dat de onvermoeide reiziger Fortune eene verscheidenheid met witte bloemen van deze algemeen gezochte soort naar Engeland overbragt. Voor het eerst zag ik die plant bloeijende in den Leidschen Hortus in 1868, met een tien of twaalftal trossen; in dit jaar bloeide ze even rijk als de blaauwe.

In schoonheid echter staat ze bij deze achter; immers niet alleen dat de kleur minder sprekend is, ook de bloemen zoowel als de geheele trossen zijn iets, hoewel niet veel, kleiner, maar toch levert ook deze mild bloeijende klimheester in het voorjaar een allersierlijkst gezigt op. Ongetwijfeld echter kan men het effect nog aanzienlijk verhoogen, door beide, de witte en de blaauwe, tegen een muur zóó digt bijeen te planten, dat de takken zich door en om elkander strengelen; de witte en blaauwe bloemen, gelijktijdig ontluikende en dooreen gemengd, moeten dan gewis een allerliefst schouwspel opleveren.

De Wisteria behoort tot die zeer uitgebreide plantenfamilie welke men, naar den eigenaardigen vorm van de bloemkroon, die der Vlinderbloemige of Papilionaceën noemt.

Die bloemkroon bestaat uit een vijftal blaadjes van verschillenden vorm, waarvan er steeds één, het bovenste namelijk, het grootste is. Dit grootere bloemblad bestempelen de kruidkundigen met den naam van de „vlag"; voorts treft men twee zijdelingsche blaadjes, een ter reg-


  1. Beter welligt is het te schrijven sinensis; ik liet het echter zoo blijven, wijl deze schrijfwijze de meest algemeene is en ze toch ook in sommige wetenschappelijke werken aldus voorkomt.