Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/96

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

50

Dat klinkt..... belagchelijk, lispelt men misschien, en toch verzeker ik u, dat dergelijke etymologische verklaringen alles behalve zeldzaam zijn.

Wie maakt nu dien strijd tusschen de i en de y, die inderdaad wel eenige overeenkomst heeft met eene soortgelijke in onze hedendaagsche spelling, hier uit? Immers, hoeveel voorkeur de i schijnt te verdienen, de y behield toch tot hiertoe de bovenhand en wordt door de meeste kruidkundigen, in dit geval, als overwinnares gehuldigd.

Het geslacht Pyrus (zonder daarom te zeggen dat déze de beste schrijfwijze is, houd ik er mij voor 't oogenblik, de algemeen gebruikelijke volgende, toch maar aan) is tamelijk rijk aan soorten, van welke de gewone Peer (Pyrus communis), de stamsoort van de tallooze thans in de tuinen voorkomende, de type is. Ook de Appel (Pyrus Malus) en de daaruit ontstane verscheidenheden, benevens de daaraan verwante soorten, waarvan ook de Pyrus spectabilis er eene is, behooren daartoe.

Hier stuiten we alweêr op een vraagteeken.

Behoort de Appelboom werkelijk tot hetzelfde geslacht, waarvan de Pereboom de grondsoort is?

De één zegt zonder aarzelen, volmondig, ja; een ander daarentegen zegt: neen, en beweert dat deze op zijne beurt als type behoort beschouwd te worden van een ander geslacht; dat zou dan Malus, en de gewone Appelboom Malus communis heeten.

Verschil van gevoelen, verschil van overtuiging zelfs, treft men overal en schier in alles aan; en zeker niet het minst bij de beoefenaars eener natuurkundige wetenschap.

Nu zou 't mij zeker niet in de gedachten gekomen zijn deze botanische kwestie hier ter sprake te brengen, ware het niet dat het in dit geval practisch nuttig is, terwijl bovendien mijn goede naam er bij gemoeid is.

Want wat toch zou men van dit werk en van den schrijver ervan denken, wanneer men, den naam, die onder de nevensstaande plaat gedrukt is, in een of ander praktisch boek willende opzoeken, dien niet vond, maar den heester vermeld zag als Malus spectabilis. En dit is—hoewel daarom op verre na niet algemeen—toch toevalligerwijze het geval in de beide eerste boeken—beide, hoe ongelijk van gehalte, voor 't, gebruik goede boeken—van dien aard, die ik er op nasla[1].

Wanneer de leek hier te beslissen had, zou gewis de kwestie al zeer spoedig als uitgemaakt te beschouwen zijn, want voor hem klinkt het misschien reeds zeer vreemd, of ongerijmd zelfs, om den Appel- en den Pereboom beide als niets anders dan soorten van één geslacht, als wijzigingen dus van éénen grondvorm te beschouwen; en toch, niettegenstaande dat schijnbare verschil, valt het den kruidkundige alles behalve gemakkelijk, om hier karakters te vinden, waarin ze voldoende van elkander afwijken, om er zelfstandige geslachten in te herkennen.


  1. Almanach du bon Jardinier, 2de vol.—Wel is waar niet de laatste jaargang, maar, wat den inhoud van het 2de gedeelte van dezen lijvigen Almanak betreft, die komt, zeker zonderling genoeg, reeds sinds jaren letterlijk op hetzelfde neêr,—en C. de Vos, Beredeneerd Woordenboek der voornaamste heesters en Coniféren in Nederland gekweekt. Groningen bij J.B. Wolters, 1807. In het eerste werk wordt men nog van Pyrus naar Malus verwezen, wat in het andere niet het geval is.