Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/34

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

15

HOEKELUM.

en hebben nu spoedig het hoogste punt, tevens de Oostelijke grens van Hoekelum bereikt.

Een heuveltje duidt hier de plaats aan waar vroeger een houten uitzichtstoren heeft gestaan, van welken men, toen de omliggende bosschen nog niet in den weg stonden, een zeer ruim vergezicht moet hebben gehad. Nadat die echter, door den bliksem getroffen, is afgebrand, is hij niet hernieuwd; trouwens hij zou daar nu geen zin meer hebben, wijl het uitzicht in alle richtingen door bosschen belemmerd is.

Onze wandeling nu rechts af vervolgende, komen we, na weer een kromming, andermaal op een kruispunt. De breede weg, die hier de Toren-allée snijdt is dezelfde die zijn uitgangspunt boven aan het einde van de Donker-allée heeft. Wij lieten ook dien toen rechts liggen. Die bij een volgende gelegenheid dezen weg kiest, zal zich dit zeker niet beklagen.

Wij kunnen hem hier, links omslaande, wel opgaan en komen dan op dezelfde plek, die nu hot doel van onzen tocht is. Maar wij willen de Toren-allée in haar geheel leeren kennen. Ook blijven we dan langzaam afdalen, terwijl we anders eerst weer een klein eind naar boven moeten gaan. En wij zijn tevreden over onze keus, want het sterk bewogen terrein maakt dat de omgeving, vooral ter rechter zijde, aan een oorspronkelijk natuurtableau doet denken, terwijl het kreupelhout, hier en daar door opgaande boomen afgewisseld, tegen het hellend terrein ter linkerzijde een fraai effect maakt.

Ziet men, eindelijk aan het einde dezer allee gekomen, even rond, dan bemerkt men terstond, aan den breeden weg, waarop we uitkwamen, ter linkerzijde, een monument, waar we natuurlijk op afgaan. Hier zouden we ook uitgekomen zijn, wanneer we een minuut of tien