Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

20

DE BREUKELERWEG—DE HEIDE.

overal mooi, biedt dit bosch op sommige plaatsen verrassende gezichtspunten.

Wij laten ze nu rechts liggen en gaan den Breukelerweg verder op; tien minuten nadat we hier in het bosch kwamen hebben we het hoogste punt en daarmede het einde van den Breukelerweg bereikt, en van de bank die hier staat zal zeker door velen een dankbaar gebruik gemaakt worden.

Hier verlaten we Hoekelum pas voor goed. We staan nu op Ginkelschen weg, die zich juist op dit punt naar het Oosten ombuigt.

Wij volgen dien thans echter in deze richting niet, maar slaan, den Breukelerweg verlatende, rechtsom.

Nu een weinig rijzende, dan iets dalende, loopt deze weg een goed eind op dezelfde hoogte voort, met de oude dennenbosschen van den Balverenskamp aan de ééne en jong dennenbosch aan de andere zijde; van vergezicht is dus geen sprake.

Maar weldra zal dit gemis ons dubbel vergoed worden; immers reeds nu we nabij het einde van het hooge dennenbosch komen, ontwikkelt zich, recht vóór ons uit, een nevelachtig perspectief, dat gestadig helderder wordt en aan schoonheid wint. Het is de gedeeltelijk aan ééne zijde door heide, maar grootendeels door bosschen begrensde, lange en hier rechte Ginkelsche weg, die zich ver in 't verschiet naar het Zuiden ombuigt. Dit perspectief heeft alweer een donker dennenbosch tot achtergrond.

Wij komen een volgende keer op den Ginkelschen weg, dien we in zijn geheel willen leeren kennen, terug, maar dan gaan we hem op. We wilden dit hooge punt thans liefst van de andere zijde bereiken, wijl het uitzicht dan verrassender is.