Pagina:Witte 1888 Wilde rozen.djvu/223

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
207
WAT VEEL GEVERGD.

hadden het over het schrobben der onverglaasde potten.

— Precies, dat is ook zoo, en daarom was het goed om er eens aan te herinneren waar eigenlijk het gebrek der verglaasde potten schuilt.

A. doet een langen haal aan zijn sigaar, blaast een dikke rookwolk uit en zegt: Dát vat ik niet.

— Wel, 't Is toch heel eenvoudig. Als je je potten laat begroeien ben je, om het nu eens zoo te noemen, bezig ze te verglazen.

— Zoo is het, valt D. in, voor wien nu op eens een licht opgaat.

In de vochtige warme lucht der warme kassen verschijnt spoedig, zelfs op nieuwe potten, een groen aanslag. Dit bestaat uit een noemeloos aantal zeer kleine plantjes, die alleen door den microscoop herkenbaar zijn. Deze plantjes nu nestelen zich bij voorkeur in de porieën van den pot. Ze sterven weldra, maar een veel talrijker nakomelingschap ontwikkelde zich reeds onder de hand, en voedt zich met de overblijfselen der vorigen; tengevolge hiervan moet de wand van den pot weldra geheel ondoordringbaar worden voor lucht, en is het dus even goed, of liever even slecht, als wanneer ge een verglaasden pot gebruiktet.

À. zegt niets, maar hij zit na te denken.

— Niet even slecht maar nog veel slechter, meent nu E. er aan te mogen toevoegen. Die Wieren en Zwammen brengen sporen voort, in nog veel grooter aantal dan de Varens. Deze sporen vermengen zich met de lucht, hechten zich aan de muren, komen spoedig tot ontwikkeling, en maken de kas weldra niet alleen vuil maar zelfs smerig.

Er komt echter nóg iets bij. Zijn de potten begroeid—en dit zal in de warme kas, als ze niet ingegraven zijn, spoedig het geval wezen—dan worden de meeste planten ziekelijk, of