Parallelle levens/Gracchen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Crystal128-configure.svg   Werk in uitvoering


Dit artikel is nog niet gereed. Het past in de huidige vorm nog niet binnen Wikisource.
Iedereen, vooral ook de eerste auteur, wordt uitgenodigd om dit artikel te verbeteren.

Dit artikel blijft twee weken beschikbaar voor wijzigingen na het verschijnen van deze melding. Het artikel staat op de lijst met te verwijderen pagina's. Na afloop van deze periode zal worden bekeken of het voldoende is verbeterd zodat het binnen Wikisource past. In de conventies van Wikisource kunt u zien waar een artikel minimaal aan moet voldoen om te mogen blijven staan.
< Parallelle levens
Dit is een overzicht van de hoofdstukken van deze levensbeschrijving.

1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 - 39 - 40

Hertaling op basis van: E. Wassenbergh - H. Bosscha (tradd. anott.), De levens van doorluchtige Grieken en Romeinen, onderling vergeleken door Plutarchus, X, Dordrecht, 1827, pp. 517-576.

I[bewerken]

1. Wij zullen niet mindere rampen, dan het voorgaande geschiedverhaal ons opleverde, aantreffen in de levensloop van het Romeinse broederpaar Tiberius en Gaius, welke wij met de twee vorige levens gaan vergelijken. Zij waren zonen van Tiberius Gracchus, een man, die te Rome censor was geweest, tweemaal de waardigheid van Consul had bekleed en twee triomftochten gevierd, en echter nog beroemder was door zijn deugd dan door zijn waardigheden. 2. Hierom werd hij na de dood van Scipio, de overwinnaar van Hannibal, ofschoon hij geen vriend van Scipio, maar een uitgesproken tegenstrever van deze was, echter waardig geoordeeld met diens dochter Cornelia in het huwelijk te treden. Men zegt over hem: "dat hij op een zekere moment een paar slangen in zijn bed had gevonden, en dat de auguren die bij dit schrikbarend verschijnsel waren geroepen, niet hadden gewild dat men beiden zou doden noch ook beiden vrijlaten, en gaven ten aanzien van een van beiden deze verklaring dat de dood van de mannelijke (slang) de dood van Tiberius en die van de vrouwelijke (slang) de dood van Cornelia tot gevolg zou hebben." 3. Tiberius nu, enerzijds uit liefde voor zijn vrouw, anderzijds omdat hij het beter vond zelf te sterven, daar hij reeds een hoge leeftijd had, en Cornelia nog jong was, had het mannetje van die slangen van kant gemaakt en het vrouwtje in leven gelaten. Het gevolg was dan ook geweest dat hij nìet lang daarna was gestorven, twaalf kinderen achterlatend die hij bij Cornelia had verwekt. 4. Deze nam daarop de zorg voor de kinderen en het huisgezin over en gedroeg zich daarbij zo eerbaar, zo van haar kinderen houdend en zo kloekmoedig dat men moest zeggen: "dat Tiberius geen slechte keuze had gemaakte, toen hij in plaats van zulk een vrouw was gestorven." Het aanbod van koning Ptolemaeus van zijn kroon te delen en een huwelijk, sloeg zij af en verkoos weduwe te blijven. 5. In deze staat (als weduwe) verloor zij aan de dood al haar overige kinderen, met uitzondering van één dochter, die zij aan de jonge Scipio uithuwelijkte, en twee zonen, waarvan wij hier de levens beschrijven, Tiberius en Gaius. Die zij beiden met zoveel zorg heeft opgevoed dat, hoewel zij over het algemeen werden erkend de beste natuurlijke aanleg van alle Romeinen te hebben gehad, zij echter tevens werden geacht nog meer door hun opvoeding dan door hun natuur tot de deugd te zijn gevormd.

II[bewerken]

1. Dan, zoals in de standbeelden en geschilderde beeltenissen van Castor en Pollux bij de gelijkheid van wezenstrekken toch een zeker verschil wordt gezien, zodat de vuístvechter van de ruiter is te onderscheiden, vertoonden deze twee jongelingen eveneens wel zeer veel gelijkenissen tussen elkander en ten aanzien van hun dapperheid en hun onbesproken levensgedrag, gelijk ook van hun edelmoedigheid, welsprekendheid en grootheid van ziel, doch deden zich tevens in hun daden en in hun staatkundig gedrag in het oog lopende verschillen voor. Het scheen mij dus niet ongepast deze eerst uiteen te zetten. 2. Wat vooreerst hun gelaatstrekken, oogopslag en lichaamsbewegingen betreft, deze waren bij Tiberius zacht en bedaard, bij Gaius daarentegen sterk en hevig, zodat bij het houden van openbare redevoeringen de ene bedaarlijk op zijn plaats bleef, maar de andere als eerste van alle Romeinen op het spreekgestoelte/de rostra begon heen en weer te lopen en onder het spreken de toga van den schouder te werpen, evenals men zegt van Cleon de Athener zegt "dat hij als eerst van de redenaars zijn mantel afrukte en op de dijen sloeg". 3. Ten andere was de spreekstijl van Gaius donderende en uitermate hartstochtelijk, die van Tiberius zachter en meer geschikt om medelijden op te wekken. De stijl van de laatste was zuiver en zorgvuldig bearbeid, die van de eerste was kunstig en schitterend. Ook ten aanzien van hun huishoudelijke levenswijze en tafel verschilden zij, in zoverre dat Tiberius sober en eenvoudig was, doch Gaius, weliswaar in vergelijking met zijn tijdgenoten matig en deftig, maar in vergelijking met zijn broer weelderig en overdadig. 4. Zodat Drusus hem dit verweet toen hij zilveren dolfijnen had gekocht, waarvan ieder pond twaalfhonderd en vijftig drachmen had gekost. Net zoals hun redenen verschilden ook hun zeden. De een was bescheiden en zacht, de ander bars en opvliegende, zodat hij onder het spreken vaak tegen zijn wil door gramschap vervoerd begon te schreeuwen en schelden en zijn redevoering in de war bracht. 5. Als een middel tegen deze te ver gaande drift gebruikte hij een zekere slaaf, Licinnius genaamd, die niet van verstand was misdeeld. Deze plaatste zich, voorzien zijnd van een blaasinstrument, hetwelk dient om de tonen aan te geven, achter Gaius, wanneer hij in het openbaar moest spreken en zodra hij merkte dat de redenaar te zeer zijn stem begon te verheffen en door toorn werd vervoerd, gaf hij een zachte toon aan, waarop de ander terstond de hevigheid van zijn drift en stem bedwong en gemakkelijk weer tot bedaren werd gebracht.

III[bewerken]

1. Dit waren de punten waarin zij van elkaar verschilden. Voor het overige waren zij ten aanzien van dapperheid tegenover vijanden, rechtvaardigheid jegens onderhorige (volken), strenge plichtsbetrachting in het bestuur van staatszaken en matigheid in het nemen van vermaken, in dit alles volkomen gelijk. Tiberius was negen jaren ouder dan zijn broer, waardoor zij hun staatkundige rollen in verschillende tijden hebben gespeeld en dit heeft wel het meeste toegebracht om hun ondernemingen in duigen te werpen, doordat zij niet te gelijk bloeiden en hun macht niet konden verenigen, welke verenigd geducht en onweerstaanbaar zou zijn geweest. Dus moeten wij nu elk hen afzonderlijk bespreken en zullen met de oudste beginnen.

IV[bewerken]

1. Deze was reeds zo beroemd uit zijn kindertijd gekomen, dat hij werd waardig geacht met de eer om in de auguren genoemde priesterorde te worden aangenomen, en dit meer omwille van zijn deugd dan omwille van zijn afkomst. Een bewijs van deze beroemdheid wegens zijn deugd gaf Appius Claudius, een man die consul en censor geweest zijnd, tevens de eerste van de senaat (princeps senatus) was en in verstand boven zijn tijdgenoten uitblonk. Deze sprak Tiberius op een maaltijd, die de auguren tezamen hielden, met de grootst blijken van genegenheid aan en deed hem het voorstel "om zijn dochter tot vrouw te nemen". 2. Tiberius ging maar al te graag in op dit voorstel en de verloving aldus tot stand gebracht, ging Appius naar huis en nog nauwelijks was hij over de dorpel getreden of hij riep met luide stem zijn vrouw toe: "Antistia! Ik heb onze dochter aan een man verloofd!" Deze zei, niet weinig verwonderd: "Hoe! Waartoe die drift en die grote haast? Of hebt jij misschien Tiberius Gracchus tot bruidegom voor onze dochter gevonden?" 3. Ik weet wel dat sommigen dit voorval toeschrijven aan Tiberius, de vader van de Gracchen, en Scipio Africanus, doch de meesten echter stemmen in met ons verhaal en Polybius vermeldt "dat, na de dood van Scipio Africanus, diens nabestaanden aan Tiberius boven alle anderen de voorkeur gaven om de echtgenoot te worden van Cornelia, die door haar vader ongehuwd en onverloofd was gelaten. 4. De jonge Tiberius nu, dienend in Africa onder de tweede Piso, die met diens zus was getrouwd, en met de veldheer in dezelfde tent zijn verblijf houdend, werd weldra bekend met diens aard, waarin zich vele en grote trekken toonden, geschikt om blakende ijver voor de deugd en zucht ter navolging van grote daden te ontsteken. Weldra stak hij de anderen de loef af in het onderhouden van orde en in dapperheid. 5. Zo beklom hij, volgens getuigenis van Fannius, als eerste van allen de muur van een vijandelijke stad, die zegt "dat hijzelf tegelijk met Tiberius die muur heeft beklommen en in de eer van dat dappere bedrijf gedeeld". Zolang hij bij het leger was, bezat hij de algemene genegenbeid en zijn vertrek werd evenzo algemeen betreurd.

V[bewerken]

1. Na deze veldtocht tot quaestor verkozen zijnd, viel hem het lot te beurt om met een van de consuls, Gaius Mancinus, die wel niet een man zonder moed doch een van ongelukkigste Romeinse veldoversten was, tegen de Numantijnen ten oorlog te trekken. Dan juist temidden van die rampen en tegenspoeden blonken niet alleen het verstand en de dapperheid van Tiberius, maar ook - hetgeen te verwonderen was - zijn eerbied en hoogachting voor de veldheer, die door zijn rampen zelf niet meer wist dat hij de aanvoerder van het leger was, des te meer uit. 2. Want na meermaals deerlijk te zijn verslagen, trachtte deze 's nachts weg te vluchten en zijn legerplaats te verlaten. De Numantijnen, die dit hadden opgemerkt, maakten zich dadelijk meester van de legerplaats, volgden de vluchtenden op de hielen, hakten de achterhoede in de pan, omsingelden het hele leger en drongen dit terug in gevaarlijke plaatsen waar geen uitweg voor deze open lag. Mancinus, die alle hoop om zich met het zwaard een weg om te ontkomen te banen had opgegeven, zond afgevaardigden naar hen om op de beste wijze enig vergelijk te treffen. 3. Doch de Numantijnen gaven ten antwoord "dat zij in niemand anders vertrouwen stelden dan in Tiberius en dat men dus deze naar hen moest zenden". Dit verlangden zij deels omwille van de jongeling zelf, die een grote faam in het leger genoot, deels omwille van de gedachtenis van diens vader, Tiberius, die toen hij tegen de Spanjaarden oorlog voerde, na vele volken te hebben onderworpen, een vredesverdrag met de Numantijnen had gesloten en dit door het volk liet bekrachtigen en steeds stipt en heilig had onderhouden/nageleefd. 4. Tiberius, dan naar hen gezonden en in onderhandeling met hen gekomen zijnd, bracht door inwilliging van hun kant en door beloften van zijn kant een verdrag met hen tot stand, waardoor hij buiten tegenspraak twintigduizend Romeinse burgers in leven hield, behalve de slaven en zovele anderen, die zonder krijgsdiensten te doen het leger volgden.

VI[bewerken]

1. De Numantijnen bleven meester van de buit die in de legerplaats was achtergebleven en plunderden deze. Onder deze buit waren enige geschriften van Tiberius, behelzend een staat van zijn bestuur als quaestor. Daar hij er nu grote prijs op stelde om deze geschriften terug te krijgen, begaf hij zich, nadat het leger reeds was opgetrokken, terug naar de stad, vergezeld van twee of drie van zijn vrienden. 2. Voor de stad gekomen zijnd, liet hij de leiders van deze naar buiten roepen en verzocht hen dat zij hem zijn geschriften ter hand zouden stellen, zodat hij niet aan de laster van zijn vijanden werd blootgesteld wanneer hij zich niet kon verantwoorden voor het door hem gevoerde bestuur. Die van Numantia, oprecht verblijd over deze toevallige gelegenheid om hem een dienst te kunnen bewijzen, verzochten hem binnen de stad te komen. Toen hij bleef staan om zich hierover te bedenken, kwamen zij naar hem toe, grepen hem bij de handen en baden en smeekten hem "dat hij hen toch niet als vijanden mocht beschouwen, maar als vrienden met hen (mocht) omgaan en volkomen vertrouwen in hen (mocht) stellen". 3. Dit begreep Tiberius dan ook te moeten doen, enerzijds omdat hij verlangde zijn geschriften terug te krijgen, anderzijds omdat hij vreesde de Numantijnen door wantrouwen te verbitteren. Zodra hij binnen de stad gekomen was zetten zij hem eerst een maaltijd voor en baden hem allernadrukkelijkst "om te gaan aanzitten en gemeenschappelijk met hen te eten". Vervolgens stelden zij hem zijn geschriften ten hand en noopten hem om uit de overige buit uit te zoeken wat hij mocht goedvinden. Hij nam echter niets daaruit dan de wierook, die hij bij de openbare offerandes gebruikte, waarop bij met betuigingen van vriendschap afscheid van deze mensen nam en weer vertrok.

VII[bewerken]

1. Toen hij naar Rome was teruggekeerd, werd de ganse vredeshandel openlijk als laag en onterend voor Rome afgedaan, maar de nabestaanden en vrienden van zij, die tijdens die veldtocht hadden gediend, verzamelden zich rondom Tiberius, erkenden hem als diegene door wie zoveel burgers in leven waren gebleven en verweten al het schandelijke van de vredeshandel aan de veldheer en deze maakten het grootste deel van het volk uit. 2. De anderen evenwel, verontwaardigd over het gebeurde, riepen "dat men het voorbeeld moest volgen van de voorouders, die de bevelhebbers die meenden zich wel (aan hun taak) te hebben gekweten omdat zij levende uit de banden van de Samnieten waren ontkomen, naakt aan de vijand hadden uitgeleverd, tegelijk met de quaestors en tribunen die mee het verdrag hadden gesloten of daarin toegestemd; laat dus deze boeten voor het schenden van de eed en het verbreken van het aangegane verdrag". 3. Toen, en vooral bij deze gelegenheid, zou de genegenheid en ijver van het volk voor Tiberius blijken. Zij besloten namelijk "de consul naakt en gebonden aan de Numantijnen uit te leveren en al de anderen ter gunste van Tiberius te verschonen". Doch het komt mij voor dat ook Scipio het zijne hiertoe heeft gedaan, die destijds het grootste aanzien en gezag onder de Romeinen had. Nochtans werd het hem kwalijk genomen dat hij niet eveneens Mancinus had gered, noch zijn best had gedaan dat het verdrag, door zijn verwant en vriend Tiberius met de Numantijnen getroffen, werd bekrachtigd. 4. Want ik geloof dat deze klachten grotendeels hun oorsprong hadden in de eerzucht van de vrienden van Tiberius en de wijsgeren (sofisten), die hem opstookten. Echter is hieruit geen eigenlijke vijandschap of enig kwaad ontstaan. Het komt mij zelfs als waarschijnlijk voor dat Tiberius nimmer in het ongeluk, dat hem is overgekomen, zou zijn gestort, indien Scipio Africanus bij de hand was geweest, toen hij zijn staatkundige rol speelde. Want deze was reeds voor Numantia, dat hij belegerde, toen de andere met zijn voorstellen opkwam, waartoe het volgende aanleiding gaf.

VIII[bewerken]

1. De Romeinen hadden de gewoonte om de landerijen, die zij op hun naburen hadden veroverd, deels te verkopen, deels als een eigendom van de staat te behouden, welke laatsten dan tegen een geringe, aan de staat te betalen huur aan behoeftige burgers, die zelf geen landerijen bezaten, werden gegeven om te gebruiken. 2. Maar toen vervolgens de rijken begonnen die huur op te jagen en de armen daardoor uit te sluiten, was er een wet gemaakt volgens dewelke "niemand meer dan vijfhonderd bunders land mocht bezitten." Deze wet slaagde er wel voor een korte tijd in om de hebzucht te beteugelen en de armen tegemoet komen, die hierdoor in bezit bleven van de landen, die zij hadden gehuurd, en voortgingen met dat, wat elk van hen aanvankelijk te beurt was gevallen, te bebouwen. 3. Weldra vonden de rijken een middel uit, om door verzonnen personen de huur van de landerijen van hun naburen op zich over te dragen, en tenslotte begonnen zij openlijk op eigen naam zich in het bezit daarvan te stellen. De armen, op deze wijze buiten alle bezit geraakt, werden onwillig om zich voor de krijgsdienst op te geven, en onttrokken zich aan de opvoeding van kinderen, zodat binnenkort geheel Italië zich beroofd zag van vrije mensen en overspoeld raakte met slaven en barbaren, van wie de rijken zich bedienden voor de bebouwing van die landen, waaruit zij de burgers hadden verdreven. 4. Reeds had Gaius Laelius, de vriend van Scipio, een poging ondernomen om dit kwaad te verhelpen, maar de hevige tegenkanting van de rijken en de vrees voor een opstand hadden hem bewogen deze (poging) te staken; waardoor men hem met de bijnaam van "de Wijze" of "de Voorzichtige" vereerde, want deze worden beiden met het Latijnse woord "Sapiens" bedoeld. Vervolgens vatte Tiberius, toen hij volkstribuun was geworden, dadelijk met drift dat werk bij de hand, en wel - zoals de meesten zeggen - op aansporing van de redenaar Diophanes en de wijsgeer Blossius. 5. Diophanes was een vluchteling uit Mitylene, de andere een inboorling van Italië, uit de stad Cumae, en een bijzonder vriend van Antipater van Tarsus, die hij te Rome had leren kennen, en die hem de eer had bewezen om zekere stukken van wijsgerige inhoud aan hem op te dragen. Sommigen geven mee de schuld aan Cornelia, de moeder van Tiberius, waarvan men zegt dat ze telkens aan haar zonen verweet "dat zij door de Romeinen wel de schoonmoeder van Scipio, maar tot dusver nooit de moeder van de Gracchen werd genoemd". 6. Anderen zoeken dan weer de aanleiding bij Spurius Postumius, die even oud was als Tiberius, en zijn mededinger naar de prijs in de welsprekendheid. Te weten namelijk dat Tiberius, toen hij na zijn legerdienst weer was thuis gekomen, en zag dat deze hem ver was voorbijgestreefd in roem en vermogen en het voorwerp was van algemene bewondering, zich wenste - zo zegt men - boven hem verheffen door het ondernemen van een hachelijk stuk, hetwelk veel opzien zou baren. 7. Maar Gaius, de broer van Tiberius, zegt in een bepaalde geschrift van hem "dat Tiberius, onderweg naar Numantia, door Toscane kwam, waar hij een groot deel landerijen onbewerkt zag, en geen andere lieden, die het land bewerkten, dan slaven van elders gehaald, en barbaren, en dat hij toen voor het eerst aan die maatregelen begon te denken waaruit zoveel onheil voor hen werd geboren." Het allermeest echter werd zijn drift en eerzucht door het volk zelf gaande gemaakt, hetwelk hem door opschriften in de gaanderijen, op de muren en graven aanspoorde om de armen weer in het bezit te stellen van de landen, die de staat toebehoorden.

IX[bewerken]

1. Hij ontwierp het voorstel daartoe evenwel niet helemaal alleen, maar raadpleegde daarbij de meest geachte en deugdzame burgers. Onder deze waren, de pontifex maximus Crassus, de rechtsgeleerde Mucius Scaevola, die destijds consul was, en Appius Claudius, de schoonvader van Tiberius. 2. Men kan inderdaad ook zeggen dat er nooit bescheidener en zachter wet tegen een zo verregaande onrechtvaardigheid en schraapzucht is gemaakt. Want lieden, die het hadden verdiend, dat zij wegens hun weerspannigheid gestraft en met veroordeling in een boetes uit de landerijen werden gezet, waarvan zij tegen de wetten in de vruchten trokken, deze werd alleen opgelegd "tegen betaling van de prijs, die landerijen, die zij onrechtvaardig bezaten over te geven en te ontruimen voor die burgers, die ondersteuning nodig hadden." 3. Dan, hoe redelijk ook deze voorgenomen hervorming was, vergenoegde zich nochtans het volk daarmee dat men, het verleden latend zoals het was, alleen in de toekomst ophield hen onrechtvaardig te behandelen. Maar de rijken en landbezitters, die op de wet, uit schraapzucht, en op de man, die deze voordroeg, uit nijd waren gebeten, deden hun best om het volk daartegen in te nemen, alsof Tiberius een landverdeling zocht in te voeren, bedoeld om de rust te verstoren en de staat ondersteboven te keren. 4. Deze poging wilde in het geheel niet lukken; want Tiberius, ijverend voor een zaak, die inderdaad goed en rechtmatig was, met een welsprekendheid, die in staat was om zelfs veel slechtere zaken goed te maken, was hoogst geducht en onoverwinnelijk toen hij, staand op de rostra, in het midden van de volksmenigte, op de volgende wijze de zaak van de armen bepleitte: "De wilde dieren", zei hij, "die in Italië huishouden, hebben hun holen en nesten, waarin elk van hen zijn schuilplaats vindt; 5. maar zij die voor Italië strijden en hun leven opofferen, hebben - behalve de lucht en het licht - volstrekt niets en moeten, zonder huis of verblijf, met vrouwen en kinderen rondzwerven. De veldheren paaien hen met leugens, wanneer zij in de gevechten het krijgsvolk aansporen om voor hun grafsteden en heiligdommen tegen de vijand te strijden; want geen van al die Romeinen heeft een vaderlijk altaar of voorouderlijke grafstede, maar zij strijden en offeren hun leven op om anderen rijk te maken en deze hun weelde te voeden. Men noemt hen "de heersers van de aarde/wereld" en zij hebben niet één enkele kluit aarde in eigendom."

X[bewerken]

1. Tegen deze redevoeringen, die, met een edele fierheid en een waar gevoel uitgesproken, diep indrongen in de gemoederen van het volk en deze in een hevige beweging brachten, was niemand van de tegenpartij bestand. Zijn onthielden zich dan ook van alle tegenspraak, maar wendden zich tot Marcus Octavius, een van de volkstribunen, die een jongeman was, streng van zeden en tevens bedaard, en daarbij een bijzondere vriend van Tiberius. 2. Deze maakte dan ook in het begin, uit eerbied voor zijn vriend, bezwaar om aan dit verzoek gehoor te geven. Dan baden en smeekten een aantal van de allerrijksten hem zolang dat hij eindelijk, als overmand, zich partij verklaarde tegen Tiberius en het voorstel verbood. Nu is het veto van één van de volkstribunen van volle kracht, zodat al de anderen tezamen geen wet tot stand kunnen brengen, wanneer één zich daartegen verzet. 3. Tiberius, hierover niet weinig gebelgd/kwaad, liet daarop zijn zachtmoedig voorstel varen, maar bracht nu een ander naar voren, hetwelk veel vleiender was voor de armen en veel strenger tegen de onrechtvaardige rijken. Volgens deze moesten de laatstgenoemden onmiddellijk afstand doen van die landerijen, die zij tegen de voorheen gemaakte wetten in bezaten. 4. Nu had hij bijna dagelijks met Octavius op het spreekgestoelte/de rostra te strijden; dan, me hoeveel ijver en drift dit ook van weerskanten geschiedde, zegt men "dat zij echter nooit elkaar iets beledigends hebben toegeworpen, noch dat ooit aan een van beiden in gramschap een onbescheiden woord is ontkomen/ontsnapt." Zozeer zijn een goede natuurlijke inborst en een verstandige opvoeding in staat om, niet alleen bij woeste vreugdebedrijven (Bacchusfeesten), maar ook wanneer naijver en eerzucht de driften gaande maken, de geest in bedaardheid te houden. 5. Toen bemerkte Tiberius dat Octavius zelf onder de wet viel, daar die zeer veel landerijen van de staat in bezit had. Daarop bad hij hem verdere tegenstand te staken en bood hem daarvoor schadevergoeding uit zijn eigen bezittingen aan, ofschoon die niet zeer groot waren. Vervolgens, toen hij Octavius hiertoe niet kon bewegen, liet hij een afkondiging uitgaan: "dat geen van de andere magistraten met de uitoefening van hun ambten zouden voortdoen, voordat over de voorgestelde wet zou zijn gestemd." 6. Op de tempel van Saturnus bracht hij zijn eigen zegel aan, opdat de quaestors niets daaruit zouden kunnen halen of daarin brengen. Zij van de praetors, die niet aan het verbod gehoorzaamden, gaf hij een boete, zodat elk, bevreesd geworden, de waarneming van zijn ambt staakte. 7. Daarop trokken de rijke landbezitters het rouwgewaad aan en liepen in een neerslachtige en deerniswekkende houding op het Forum rond. Tevens planden zij heimelijk hinderlagen tegen Tiberius en maakten moordenaars tegen hem klaar, waarop hijzelf (d.i. Tiberius) zich ook openlijk met een soort van moordenaarsdolk, in het Latijn dolon geheten, wapende.

XI[bewerken]

1. Toen de dag van de stemming daar was en het volk daartoe door hem werd opgeroepen, waren de stemkisten door de rijken weggenomen, hetwelk vrij veel beroering veroorzaakte. Ongetwijfeld was de aanhang van Tiberius door hun grote aantal in staat om de zaak met geweld door te drijven en begon zich ook dadelijk daartoe gereed te maken. Toen vielen Manlius en Fulvius, twee oud-consuls, Tiberius voor de voeten, grepen zijn handen en baden hem met tranen in de ogen dat hij van zijn voornemen zou afzien. 2. Deze, beseffend welke gevolgen hieruit waren te duchten, vroeg hen wat zij wilden dat hij zou doen. Waarop zij ten antwoord gaven dat zij zich niet bekwaam achtten om hem in een zaak van zo groot gewicht raad te geven, doch dat hij naar hun mening de uitspraak aan de senaat moest overlaten, waarin hij dan ook, op hun dringende bede, toestemde. Daar dan de rijken in de senaat de meerderheid hadden en daardoor de zaak hier onafgedaan bleef, besloot hij over te gaan tot een onwettig en ongepast middel, namelijk om Octavius af te zetten, daar hij zag, dat het buiten dat, onmogelijk was te bewerkstelligen dat over de wet werd gestemd. 3. Hij wendde zich eerst evenwel openlijk met gebeden en de vriendelijkste woorden tot hem, in de deemoedigste houding hem smekend dat hij toch zou toegeven, en het volk te wille zijn, daar dit (d.i. het wetsvoorstel) niets anders dan hetgeen recht(vaardig) was (op)vorderde en hierdoor slechts een kleinigheid zouden bekomen voor zo zure diensten en uitgestane gevaren. Maar Octavius wilde hier helemaal niet van horen, waarop Tiberius overluid/zeer luid verklaarde: "dat twee volkstribunen onmogelijk, met gelijk gezag bekleed en over zaken van het hoogste belang in gevoelen van elkaar verschillend, hun ambtstermijn tot het einde toe konden uithouden zonder dat het tot gewelddadigheden kwam en dat hij slechts dit als enige overgebleven middel tot afwering van dat kwaad zag, (namelijk) dat één van beiden zijn waardigheid neerlegde." 4. "Over hem," zei hij, "kon Octavius eerst de stemmen van het volk opnemen, hij was bereid om, in het geval de burgerij dit goedvond, dadelijk van de zijne afstand te doen." Vervolgens, toen Octavius dit weigerde, verklaarde hij het volk over hem te zullen laten stemmen, indien hij niet, de zaak nader overwogen hebbend, van besluit/gedacht zou veranderen.

XII[bewerken]

1. Bij deze verklaring liet bij het toen blijven en beëindigde de vergadering. De volgende dag, toen het volk weer bijeen was gekomen, klom hij op de rostra en trachtte andermaal Octavius door een redevoering te overhalen. Maar daar deze onverzettelijk bleef, deed hij het voorstel om deze uit zijn waardigheid te ontzetten. 2. Van de vijfendertig tribus 3. hadden reeds zeventien het voorstel aangenomen en er hoefde dus nog slechts één bij te komen om Octavius zijn waardigheid te doen verliezen. Maar nu beval Tiberius "de verdere stemming te staken" en wendde zich weerom tot Octavius met gebeden, omhelsde hem voor de ogen van het gehele volk en kuste hem onder de vurigste smeekbedes en bezweringen "dat hij voor zichzelf toch die schande zou voorkomen en hem het verwijt besparen van zulk een hard en verschrikkelijk middel te hebben gebruikt." 4. Voor deze smeekbeden, zegt men, bleef Octavius niet ongevoelig noch onbewogen; de ogen liepen hem vol tranen en hij bleef een tijd lang sprakeloos. Doch vervolgens het oog slaand op de talrijke schare van rijken en landbezitters, schijnt hij uit schaamte en vrees van bij deze in verachting te zullen komen zich het ergste te hebben getroost en gaf edelmoedig vrijheid/toestemming aan Tiberius om te doen wat hij nodig achtte. 5. Toen dit voorstel dus tot stand was gekomen, gaf Tiberius aan een van zijn vrijgelatenen bevel om Octavius van het spreekgestoelte te halen; want zijn vrijgelatenen gebruikte hij als lictors. Dit maakte een deerniswaardig schouwspel, dat Octavius dus op een honende wijze met geweld werd weggevoerd. Weldra ook viel het volk hem te lijf; doch daarop kwamen de rijken toeschieten en keerden het geweld van hem af, waardoor hij nog ternauwernood aan de handen van het gemeen ontkwam en zijn leven gered zag; doch een getrouwe slaaf van hem, die zich voor hem had geplaatst om hem te beschutten, werden de ogen uit het hoofd gerukt, tot leedwezen/groot verdriet van Tiberius, die, toen hij merkte dat er een oploop/te hoop gelopen menigte ontstond en vernam wat er gaande was, in allerijl tot stuiting/bedwinging van het kwaad kwam toeschieten.

XIII[bewerken]

1. Hierop kwam nu de wet voor de landverdeling volkomen tot stand en er werden drie gelastigden verkozen om, na behoorlijk onderzoek die uitdeling te doen. Deze waren Tiberius zelf, Appius Claudius, zijn schoonvader, en zijn broer, Gaius Gracchus, die thans afwezig was en zich bij Scipio in het leger voor Numantia bevond. 2. Nadat Tiberius dit zonder opschudding en zonder tegenstand van iemand ten uitvoer had gebracht, stelde hij een nieuwe volkstribuun aan en wel niet een uit de aanzienlijken, maar een zekere Mucius,[1] zijn cliënt/cliens. Dit maakte de groten geweldig verbitterd, die nu, voor de toenemende macht van Tiberius beducht geworden, hem in alles dwarsboomden en hem in de senaat openlijke beledigingen aandeden. Want toen hij, volgens gebruik, om een tent op kosten van de staat verzocht om bij de landverdeling te gebruiken, 3. werd hem die geweigerd, ofschoon die menigmaal aan anderen in zaken van veel minder belang was toegestaan. Het daggeld werd op niet hoger dan negen stuivers/obolen gesteld. Dit gebeurde op voorstel van Scipio Nasica, die hem van nu af aan openlijk als vijand behandelde; want de man bezat zeer veel staatsgronden en kon het niet verkroppen, dat hij daarvan afstand moest doen. 4. Van de andere kant werd de drift van het volk des te meer ontstoken; en, toen een zekere vriend van Tiberius onverwacht was gestorven, waarvan het lijk kwade tekenen vertoonde, schreeuwde men dat de man was vergeven/vergiftigd; liep midden in de rouwstoet, nam de draagbaar op en bleef bij de brandstapel staan, waar men werd overtuigd dat het vermoeden van vergif niet ongegrond was geweest. 5. Want het lichaam barstte uiteen en er liep een grote hoeveelheid bedorven vocht uit, zodat de vlam daardoor werd uitgedoofd, en toen men nieuw vuur aanbracht, wilde deze nogmaals geen vlam vatten, totdat het lijk naar een andere plaats werd gevoerd, waar deze, na vele aangewende middelen, uiteindelijk met moeite aan het branden werd gebracht. Bij dit alles maakte Tiberius de gemoederen van het volk nog meer gaande, toen hij het rouwgewaad aannam en met zijn kinderen voor de dag kwam, die hij samen met hun moeder aan de bescherming van het volk overdroeg, alsof hij zichzelf reeds verloren achtte.

XIV[bewerken]

1. In die tijd kwam Attalus Philopator te sterven en Eudemus van Pergamum bracht diens laatste wilsbeschikking naar Rome, volgens dewelke het Romeinse volk tot erfgenaam van de koning was aangesteld. Terstond kwam Tiberius met het volkslievende voorstel om het geld, dat in de nalatenschap van de koning werd gevonden, uit te delen onder die burgers, die landerijen kregen, opdat zij daarvoor gereedschappen en de verdere benodigdheden tot de landbouw konden aankopen. 2. Wat de steden, die tot het gebied van Attalus behoorden, betrof, daaromtrent zei hij dat de senaat geenszins de bespreking toekwam, maar dat hij daarover de stemmen van het volk zou opnemen. Vooral dit (laatste) gaf aan de senaat geweldige aanstoot. Pompeius stond op en zei dat hij, een nabuur van Tiberius zijnd, daardoor wist, dat Eudemus van Pergamum de Koninklijke tulband met het purperen kleed naar deze had gebracht, als moest/wou hij koning van Rome worden. 3. Quintus Metellus verweet aan Tiberius dat zo dikwijls als zijn vader, terwijl hij censor was, van een gastmaal naar huis ging, de burgers hun lichten plachten uit te doen/te doven, uit vrees dat men zou worden gedacht langer dan gepast was bij gezelschap en wijn te hebben vertoefd; maar dat hij integendeel zich door de onbeschaamdste en behoeftigste van het gemeen/plebs 's nachts liet voorlichten/met een licht liet voorgaan. 4. Titus Annius, een man wiens gedrag noch wijsheid te roemen viel, maar die in het redetwisten voor een echte meester werd gehouden om strikvragen en snedige antwoorden voort te brengen, daagde Tiberius uit, om onder een zekere verbintenis te verklaren "dat hij zijn ambtsgenoot, die volgens de wetten heilig en onschendbaar was, niet had mishandeld." Toen het gemeen/plebs hierover aan het morren was geraakt, sprong Tiberius op, riep het volk voor een vergadering bijeen, liet Annius halen en begon hem terecht te stellen. 5. De andere, die in welsprekendheid en gezag ten zeerste voor zijn (tegen)partij moest onderdoen, nam zijn toevlucht tot zijn gebruikelijke slimheid en verzocht aan Tiberius "om, vooraleer hij zijn verantwoording begon, vooraf één vraag te mogen stellen." Toen hem dit werd vergund en daarop een algemeen stilzwijgen volgde, zei Annius: "In het geval dat jij mij eens wilt verongelijken en openlijk verguizen en ik dan de hulp inriep van een van jouw ambtsgenoten, met als gevolg dat deze inderdaad toeschoot om mij te helpen en jij hierover werd vertoornd, zou jij die daarom uit zijn waardigheid ontzetten?" 6. Op deze vraag, zegt men, werd Tiberius zodanig verlegen dat hij, die anders meer dan iemand vaardig was in het spreken en in vrijpostigheid aan niemand toegaf, geheel verstomde.

XV[bewerken]

1. Hij ontbond dan voorlopig de vergadering, doch toen hij merkte, dat van al zijn verrichtingen, deze die Octavius betrof de meeste ergernis had gegeven, niet slechts aan de patriciërs, maar ook aan het gewone volk (want men hield het daarvoor dat de waardigheid van volkstribuun, die tot hiertoe altijd als iets groots en heerlijks was beschouwd geweest, door hem was verkracht en mishandeld), hield hij een toespraak voor het volk, waarvan het niet onnuttig zal zijn enkele passages hier aan te halen, opdat de lezer daaruit deze man zijn kracht van overreden en nadrukkelijke voordracht enigszins zou leren kennen. 2. "Een volkstribuun," zei hij, "is een heilig en onschendbaar persoon, omdat hij aan het volk is toegewijd, en deze hun belangen voorstaat. Zo hij derhalve de partij van het volk verlaat, deze mishandelt, diens macht verbreekt en deze belet zijn stem uit te brengen, dan verklaart hij zichzelf vervallen van zijn waardigheid, aangezien hij deze niet gebruikt voor hetgeen waarvoor het hem is gegeven; 3. want anders zou men een volkstribuun, die het Capitool onder de voet haalde, en onze schepen en tuighuizen en brand stak, daarmee moeten laten begaan. En evenwel, wie zulks deed, zou wel een slechte volkstribuun, doch echter volkstribuun zijn; maar diegene die de macht van het volk vernietigt, houdt zelfs op volkstribuun te zijn. En zou het geen ongerijmdheid zijn, dat een volkstribuun het recht had om een consul naar de gevangenis te laten brengen, maar dat het volk niet gerechtigd zou zijn om een volkstribuun zijn waardigheid te ontnemen, wanneer hij die gebruikt tegen diegenen, die hem deze hebben gegeven? Beiden toch, zowel de (volks)tribuun als consul, worden door het volk aangesteld. 4. Wat meer is: de koninklijke waardigheid, behalve dat zij alle andere bewind in zich verenigt, wordt nog bovendien door de heiligste plechtigheden als goddelijk gewijd. En echter heeft deze stad Tarquinius om zijn geweldenarijen verdreven en om het snode gedrag van één is de oudste van onze staatsvormen, waaraan Rome zijn stichting had te danken, vernietigd. Wat is zo heilig en geëerbiedigd te Rome als die maagden, aan wie de zorg voor het Heilige Vuur is aanbevolen? En echter, zo een van deze zich aan ontucht schuldig maakt, wordt zij levend onder de aarde bedolven; want zij verliezen hun heiligheid, wanneer zij misdoen tegenover de goden, om wier wil zij onschendbaar zijn. 5. Het is dus ook onbillijk dat een volkstribuun, die het volk mishandelt, omwille van het volk onschendbaar is; want hij vernietigt zelf de macht, waardoor hij dus was beveiligd. En heeft hij met recht de waardigheid van (volks)tribuun gekregen, omdat de meerderheid van de wijken voor hem heeft gestemd, hoe zou hij dan niet met nog meer recht deze verliezen, wanneer al de wijken zich tegen hem verklaren? 6. Niets is zeker zo heilig en onschendbaar als die dingen, welke aan de goden zijn toegewijd, en echter heeft nooit iemand het volk belet, die te gebruiken, van hun plaats te nemen en naar elders over te brengen, wanneer deze (= het volk) zulks goedvond. Het volk had dan ook de vrijheid om de waardigheid van volkstribuun zoals een heiligdom op een ander over te dragen; en dat deze niet onschendbaar noch onoverdrachtelijk is, blijkt uit het feit dat meermaals diegenen, die deze bezaten, uit zichzelf afstand daarvan hebben gedaan."

XVI[bewerken]

1. Aldus was in hoofdzaak de inhoud van de verdediging van Tiberius. Dan waren zijn vrienden, toen ze de bedreigingen en de samenrotting zagen, van oordeel dat het voor hem noodzakelijk was dat hij zich andermaal voor het volgende jaar liet verkiezen. Daarop kwam hij met nieuwe voorstellen, bedoeld om het volk op zijn hand te krijgen. Hij verkortte namelijk de gewone tijd van de krijgsdienst, gaf voor de vonnissen van de rechters het recht op beroep aan het volk, en, daar de rechters destijds uit de senaat werden genomen, voegde hij bij de rechters uit de senaat een gelijk aantal van ridders toe 2. en fnuikte nu op allerlei wijze de macht van de senaat, meer uit ontstemdheid en treiterzucht, dan uit inzichten van rechtvaardigheid en algemeen nut. En toen zijn vrienden bij de stemming merkten, dat de tegenpartij de meerderheid had, omdat het hele volk niet tegenwoordig was, begonnen zij eerst op de volkstribunen te schelden en lieten daarmee de tijd verlopen. Vervolgens lieten zij de volksvergadering uiteengaan en het volk tegen de volgende dag terug bijeenkomen. 3. Deze dag gekomen zijnd, verscheen Tiberius vooreerst in rouwgewaad op de markt en ging met tranen in de ogen en met smeekbeden bij het volk rond en nadat hij vervolgens zijn vrees had te kennen gegeven dat zijn vijanden 's nachts zouden komen om zijn huis onder de voet te lopen en hemzelf om het leven te brengen, nam hij de mensen zozeer in, dat een aantal zich 's nachts in tenten voor zijn huis gelegerd hield om hem te beschermen.

XVII[bewerken]

1. 's Anderendaags vroeg in de morgen kwam een augur met zijn kippen opdagen en wierp deze enig voedsel voor. Maar geen van allen kwam uit het hok, behalve slechts één, nadat de man het hok wel degelijk had geschud. Doch ook deze kip raakte niet aan het voer, maar zijn linkervleugel opgelicht en de poot uitgerekt hebbend, liep het weer naar de kooi. Dit herinnerde Tibeirus tevens aan een vroeger voorteken. 2. Hij had namelijk een helm, die hij in de strijd gewoon was te gebruiken en die fraai bewerkt en schitterend versierd was. Daarin waren twee slangen gekropen, die, zonder dat het was opgemerkt, eieren in deze gelegd en die hadden uitgebroeid. Met dit in gedachten werd Tiberius door het tegenwoordige voorteken des te meer van stuk gebracht. Hij ging evenwel uit om naar het Capitool te gaan, toen hij vernam dat het volk daar was vergaderd. 3. Voordat hij nog zijn huis was uitgegaan, stiet hij zijn voet tegen de dorpel, en wel met zoveel kracht dat de nagel van de grote teen afscheurde en het bloed door de voetzool heenliep. Een weinig voortgegaan zijnd, zag hij links van hem op het dak van een huis twee raven vechten; en ofschoon daar tevens een menigte andere mensen, gelijk men zich wel kan inbeelden, passeerden, viel juist bij zijn voet een steen neer, die door de ene raaf van bovenaf werd gestoten. Hiervan werden zelfs de meest onversaagden van zijn gevolg ontsteld. 4. Maar Blossius van Cumae, die daar ook bij aanwezig was, zei dat het schande en grote laagheid zou zijn indien Tiberius, zoon van Gracchus, een kleinzoon van Scipio Africanus, en een beschermer van het Romeinse volk, zich door vrees voor een raaf liet weerhouden om aan de oproep van het volk, dat zijn aanwezigheid eiste, gehoor te geven; dat zijn vijanden van zulk een schandelijk gedrag gebruik zouden maken, niet om slechts daarmee te spotten, maar om hem bij het volk zwart te maken als iemand die de tiran speelde, en nu reeds openlijk het volk voor de gek hield. 5. Tevens kwamen er veel van zijn vrienden, die op het Capitool waren, de een na de ander Tiberius tegemoet gelopen, bij hem aandringend om toch naar daar te gaan omdat het daar met de zaken naar wens verliep. Inderdaad liet het zich ook in het begin zeer wel voor Tiberius uitzien; want nauwelijks zag men hem komen of er stak een gejuich van genegenheid op en toen hij boven aankwam, werd hij met dienstvaardigheid ontvangen en men schaarde zich rondom hem opdat geen onbekende hem mocht genaken.

XVIII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XIX[bewerken]

1. Zodra Tiberius dit aan degenen, die hem omringden, had te kennen gegeven, sloegen deze terstond hun toga's om het lijf, braken de stokken () van de lictors, waarmee deze het volk afweren en raapten de stukken op om zich daarmee tegen degenen die hun aanvielen te verweren. 2. Terwijl dezen, die verderaf stonden, niet wisten wat dit betekende en naar de oorzaak vroegen, bracht Tiberius zijn hand naar het hoofd, door dat teken het gevaar waarin hij zich bevond te kennen gevend, vermits hij zich niet door woorden kon doen verstaan. Vervolgens liepen zijn vijanden, toen ze dit zagen, naar de senaat en verkondigden daar dat Tiberius een kroon begeerde, hetgeen werd bewezen doordat hij met de hand aan zijn hoofd had geraakt. 3. Deze tijding bracht de hele vergadering in rep en roer. Nasica eiste van de consul dat hij het vaderland te hulp zou komen en de dwingeland van kant maken. Deze gaf daarop bedaard als antwoord dat hij geen geweld dacht te beginnen, noch enige burger onverhoord ter dood te brengen; doch indien het volk, door Tiberius daartoe overgehaald of gedwongen, iets zou besluiten dat strijdig was met de wetten, hij een dergelijk besluit zou vernietigen. Toen sprong Nasica op van zijn plaats en riep: "Daar dan de consul het vaderland verraadt, volgt mij, al wie gezind zijt de wetten te handhaven!" 4. En daarmee sloeg hij de slip van zijn toga om het hoofd en liep naar het Capitool. Allen, die hem volgden, de hand in de toga gewonden hebbend, stieten elk, die hen tegenkwam, terug, terwijl niemand zich uit ontzag voor hun waardigheid verzette, maar alles de vlucht nam en elkaar onder de voet liep. 5. Het volk, dat zij bij zich hadden, had inmiddels knotsen en stokken van huis gehaald en zijzelf raapten de stukken en voeten van de gestoeltes, die door de vluchtende menigte waren gebroken, op, liepen daarmee naar Tiberius en sloegen om van de degenen, die zich voor Tiberius hadden geschaard om hem te beveiligen, zodat deze, deels op de vlucht gedreven, deels werden afgemaakt. Tiberius zelf, zich op de loop begevend, werd door iemand uit de hoop/menigte bij de kleren gegrepen. 6. Hij liet evenwel zijn toga vallen en vluchtte in zijn tunica/onderkleed, doch struikelde en viel over enigen, die reeds op de grond lagen. Een poging doend om weer op te staan, werd hij voor het eerst openlijk door Publius Saturnius, één van zijn ambtsgenoten, met de voet van een gestoelte op het hoofd geslagen. De tweede slag ontving hij van Lucius Rufus, volgens verzekering van de man zelf, die zich daarop - als op een heldendaad - beroemde. Behalve hem werden er nog meer dan driehonderd anderen met stokken en stenen doodgeslagen, zonder dat er iemand door het zwaard zijn leven verloor.

XX[bewerken]

1. Deze is in de geschiedenis van Rome, na de afschaffing van het koningschap, de eerste opstand geweest, die op bloedvergieten en moord van burgers uitliep. Vorige opstanden, ofschoon ook niet gering noch om geringe zaken, waren nog altijd, door van weerskanten toe te geven, gesust: omdat de groten uit vrees voor het volk toegaven en het volk uit ontzag voor de senaat. Ook in het tegenwoordige geval had Tiberius zich door redenen lichtelijk laten bewegen om toe te geven en zoveel eer, indien men zich zonder moord en doodslag tegen hem had verzet. 2. Maar het schijnt dat de rijken meer uit boosheid en wraakzucht dan om de voorgewende redenen de opstand tegen hem zijn begonnen. En dit wordt door de baldadige en wrede behandeling van het dode lijk aangedaan bevestigd. Want toen zijn broer verzocht "het lijk te mogen wegnemen en bij nacht te begraven", werd dit (hem) geweigerd en het lijk samen met de overigen in de rivier gesmeten. 3. Dit niet alleen, maar de vrienden van Tiberius werden zelfs, deels, zonder te zijn verhoord, tot ballingschap veroordeeld, deels gevat en vermoord; tot deze laatsten wordt de redenaar Diophanes gerekend. Een dezer, Gaius Villius, werd in een ton, gevuld met adders en slangen, opgesloten en op die wijze om het leven gebracht. Blossius van Cumae werd voor de consuls gebracht en ondervraagd over hetgeen hij had gedaan. Hij bekende alles en zei "dit op bevel van Tiberius te hebben gedaan." 4. Daarop vroeg Nasica hem: "Indien Tiberius hem dan had bevolen het Capitool in brand te steken, of hij dit ook zou hebben gedaan?" Hierop gaf hij eerst ten antwoord: "dat Tiberius hem dit nooit zou hebben bevolen." Dan, toen hem diezelfde vraag bij herhaling, ook door anderen, werd gesteld, zei hij uiteindelijk: "Maar indien hij het mij had bevolen, zou ik er geen kwaad in hebben gezien dit te doen; want Tiberius zou dit zeker niet van mij hebben gevergd, zo het niet met de belangen van het volk overeenkomstig ware geweest." Hiermee ontkwam hij ditmaal het gevaar; doch zich vervolgens naar Asia naar Aristonicus hebbend begeven, heeft hij, toen het met die vorst was afgelopen, zichzelf van het leven beroofd.

XXI[bewerken]

1. De senaat, in de toenmalige omstandigheden op zoek het volk te paaien, verzette zich thans niet tegen de wet op de landverdeling en stond het plebs toe om in de plaats van Tiberius een nieuwe drieman ter verdeling van de landerijen aan te stellen. De stemmen hierover opgenomen zijnd, viel de keus op Publius Crassus, die een naastbestaande van Gracchus was; want diens dochter Licinia was de vrouw van Gaius Gracchus. 2. Cornelius Nepos zegt weliswaar dat Gracchus niet met de dochter van Crassus, maar met die van Brutus, die over de Lusitaniërs had gezegevierd, was getrouwd, maar de berichten van de meeste schrijvers stemmen met onze versie van de feiten overeen. 3. Met dit alles bleef het volk zeer verbitterd wegens de moord op Tiberius en liet genoeg blijken dat het slechts wachtte op een gelegenheid om wraak te nemen; ja, men begon reeds Nasica met een dagvaarding te bedreigen; zodat de senaat, om deze te beschermen, hem een gezantschap naar Asia opdroeg, waar hij eigenlijk niets had te doen. Want bij voorvallende gelegenheden hield het volk zijn verontwaardiging niet in, maar raasde en tierde zo vaak het hem ontmoette, hem uitmakend voor een onverlaat en tiran, die door de moord van een onschendbaar lichaam de heiligste en meest eerwaardige van alle tempels te Rome had ontheiligd. 4. Dus moest Scipio Nasica dan Italië verlaten, ofschoon hij als pontifex maximus met de voornaamste waardigheden van de godsdienst was bekleed. Hij zwierf in het buitenland een tijdlang van de ene naar de andere plaats rond, maar keerde welhaast naar Pergamon terug. Men hoeft zich dan (ook) niet te verwonderen dat Nasica bij het volk zo gehaat was, daar zelfs Scipio Africanus, voor wie het volk zovele redenen had om hem hoog in te schatten en die ook inderdaad hoger dan wie dan ook werd geacht, op het punt heeft gestaan om de genegenheid van het volk voor altijd te verliezen, omdat hij toen hij voor het eerst te Numantia, tijding krijgend over de dood van Tiberus, met de woorden van Homerus had uitgeroepen: "moge zo elkeen sterven, die hetzelfde durft te doen!"[2] 5. en naderhand, toen hem door Gaius en Fulvius in de volksvergadering werd gevraagd wat hij over de dood van Tiberius dacht, een antwoord had gegeven, waardoor hij het gedrag van deze afkeurde. Want sedertdien, wanneer hij in de vergadering het woord nam, werd hij door het gedruis van het volk onderbroken, hetgeen tevoren nooit was gebeurd en hij ging zelf zo ver dat hij tegen het volk begon uit te varen. Dit hebben wij in het Leven van Scipio uitvoeriger behandeld.[3]

XXII[bewerken]

1. Gaius Gracchus, hetzij dat hij zijn vijanden vreesde, hetzij dat hij hen gehaat zocht te maken, bleef aanvankelijk buiten de volksvergadering en leefde afgezonderd op zichzelf, net zoals iemand die voor het tegenwoordige terneergeslagen is en heeft besloten ook in het toekomende als een vergeten burger te leven, in zoverre dat hij hierdoor zelfs aanleiding gaf tot het gerucht dat het gedrag van Tiberius door hem werd afgekeurd en verfoeid. 2. Want hij was thans ook nog zeer jong, negen jaren jonger dan zijn broer, die nog geen dertig jaren oud was, toen hij stierf. Doch met het verloop van tijd liet hij door dat stille leven heen zijn ware aard doorstralen, als wars van werkeloosheid, verwijfdheid, drank en winzucht en begon het spraakvermogen, zoals zijn wieken, te oefenen om zich daarop tot het staatsbestuur te verheffen waaruit bleek dat hij niet langer van plan was zo stil te blijven leven 3. en vooral, toen hij de zaak van Vettius, een van zijn vrienden, die was gedagvaard, zo uitstekend verdedigde, dat het volk zich uitgelaten van vreugde en schier als onzinnig daarbij aanstelde en men wel kon zien dat alle andere pleitredenaars in vergelijking met hem niets meer dan kinderen waren, werden de machtigen door vrees bevangen en overlegden onder elkaar hoe zij zouden beletten dat Gaius naar de waardigheid van volkstribuun kon streven. 4. Het toeval wilde nu juist dat hij (d.i. Gaius) door het lot werd bestempeld om als quaestor met de consul Orestes naar Sardinië te gaan. Dit nu was zeer naar de zin van zijn vijanden, doch hijzelf was ook geheel wel daarmee tevreden, want, de aard van een krijgsman hebbend, en zich niet minder op de wapenkunde dan op het behandelen van pleitzaken toegelegd hebbend, daarenboven nog huiverig zijnd tegenover het werk van een staatsman en om het spreekgestoelte te beklimmen, doch tevens niet in staat om de aanzoeken van het volk en zijn vrienden te weerstaan, was hem deze buitenlandse reis zeer welkom. 5. Nochtans is het een heersend gevoel dat hij een overdreven volksvriend was en - nog veel meer dan zijn broer - zich bij de menigte zocht gezien te maken. Want dit is bezijden de waarheid en het schijnt veeleer dat hij door dwang en noodzakelijkheid dan uit eigen keuze op het staatstoneel is gevoerd geworden. 6. Zelfs de redenaar Cicero verhaalt "dat Gaius zich van alle bewind zocht te onthouden en een afgezonderd stil leven te leiden, doch dat zijn broer hem in een droom was verschenen en hem aldus had aangesproken: "Wat aarzel jij, Gaius? Er is voor jou geen ontwijken aan: ons beiden is eenzelfde levensloop en eenzelfde dood als offers voor het volk beschoren".".

XXIII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXIV[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXV[bewerken]

1. Nadat hij door dusdanige redevoeringen het volk vooraf had aangestoken (want hij had een sterke stem en was onvermoeid in het spreken), bracht hij twee wetsvoorstellen naar voren, waarvan het ene behelsde "dat iemand, van wie het volk eenmaal een ereambt had afgenomen, niet opnieuw naar een ander mocht streven", het andere "stelde diegenen, die een burger onverhoord tot ballingschap had verwezen, verantwoordelijk voor het volk." 2. Het eerstgenoemde voorstel had duidelijk bedoelt om Octavius, die door Tiberius het volkstribunaat was afgenomen, eerloos te verklaren; het andere maakte Popillius aansprakelijk, die als praetor de vrienden van Tiberius tot ballingschap had veroordeeld. Popilius wachtte zijn terechtstelling niet af, maar verliet Italië; en het andere voorstel werd door Gaius zelf weer teruggenomen; hij wou - zoals hij zei - op voorspraak van zijn moeder Cornelia aan Octavius een gunst bewijzen. 3. Dit was naar de zin van het volk en werd door deze goedgekeurd; want Cornelia stond hij hen in grote achting en wel evenveel omwille van haar zoons als om hun vader; waarom men ook naderhand een metalen standbeeld voor haar oprichtte met dit opschrift: "Cornelia, moeder van de Gracchen." Ook vindt men over haar verscheidene stoute/stoutmoedige en in de straattaal vallende/opgetekende gezegdes/uitspraken van Gaius vermeld. Zo zei hij tegen iemand van zijn vijanden: "Durf jij kwaadspreken over Cornelia, de moeder van Tiberius?" 4. En aangezien over de man, met wie hij het aan de stok had, een kwaad gerucht de ronde deed van schuldig te zijn aan een verwijfde praktijk, zei hij: "Wat maakt u zo onbeschaamd om u met Cornelia te vergelijken? Of heb jij kinderen ter wereld gebracht zoals zij? En echter weten alle Romeinen dat zij langer zonder man heeft geslapen, dan jij, die zichzelf een man noemt." Dit dient als een staal van de bitterheid in zijn redevoeringen. We zouden nog meer soortgelijke (voorbeelden hiervan) uit zijn geschriften kunnen aanhalen.

XXVI[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXVII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXVIII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXIX[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXX[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXI[bewerken]

1. Het voornaamste middel, waardoor Drusus zich als een volksvriend en een eerlijk man deed gelden, was het feit dat hij geen voorstel deed, waarbij zijn eigen persoon of belang in aanmerking kwam. Want tot opzieners en bestuurders over de volksplantingen benoemde hij anderen en hij hield zich buiten het bestuur van de geldmiddelen; terwijl Gaius de meesten en voornaamsten van die ambten voor zichzelf (op)nam. 2. Nadat nu Rubrius, een van hun ambtsgenoten, het voorstel tot stand had gebracht om Carthago, dat door Scipio was verwoest, te herbouwen en (her)bevolken, werd Gaius door het lot tot opziener daarover benoemd en vertrok te dien einde naar Africa. Van die afwezigheid maakte Drusus gebruik om Gaius des te heviger aan te vallen en zich in de volksgunst te dringen, voornamelijk door beschuldigingen tegen Fulvius in te brengen; 3. want deze was een vriend van Gaius en tegelijk met hem tot drieman voor de verdeling van de landerijen verkozen. Hij was een woelziek man, die de senaat als zijn publieke vijand beschouwde, daarenboven ook bij anderen ervan verdacht de Bondgenotenoorlog aan te stoken en de volken van Italië heimelijk tot opstand aan te hitsen. Ofschoon hem nu deze dingen zonder grond of bewijs werden nagegeven, maakte hij deze door zijn eigen gedrag waarschijnlijk/aannemelijk, daar in al zijn bestrevingen niets goeds noch vredelievends doorstraalde. 4. Dit bracht vooral zeer veel toe tot de val van Gaius, die in de haat van zijn vriend moest delen. En toen Scipio Africanus onverwacht was gestorven, zonder dat men enige oorzaak daarvan had kunnen ontdekken, en men aan het lijk enige tekenen van slagen en geweld had bemerkt, zoals wij in de levensbeschrijving van deze man hebben verhaald, viel Fulvius vrij algemeen onder beschuldiging, niet alleen omdat hij de vijand was van Scipio, maar ook omdat hij op de rostra in hevige scheldwoorden tegen deze was uitgevaren. Ook Gaius kon niet aan ditzelfde vermoeden ontsnappen. 5. Deze gruweldaad echter, tegen de eerste en grootste man in de Romeinse staat gepleegd, bleef ongestraft en zonder rechterlijk onderzoek, terwijl het volk opkwam en de rechtspleging daarover belemmerde, vrezend dat Gaius bij nader onderzoek zou worden bevonden aan die moord deel te hebben gehad. Dit was echter enige tijd tevoren gebeurd.

XXXII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXIII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXIV[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXV[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXVI[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXVII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXVIII[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XXXIX[bewerken]

1. 2. 3. 4. 5.

XL[bewerken]

1. Van Cornelia wordt gezegd: "dat zij deze haar overkomen rampen grootmoedig en standvastig heeft gedragen en van de geheiligde plaatsen waar haar zoons waren vermoord, zei dat het de overledenen waardige grafplaatsen waren. Zij sleet haar overige dagen aan het voorgebergte Misenum zonder iets in haar vorige manier van leven te veranderen. 2. Zij had een aantal vrienden, en daar zij de gastvrijheid beminde, stond haar tafel open voor Grieken en geleerden, die haar vlijtig bezochten, terwijl koningen zelf geschenken van haar aannamen en beurtelings aan haar zonden. Vrienden en vreemdelingen, die haar bezochten, werden verrukt, wanneer zij haar hoorden spreken over de levenswijze en huiselijke deugden van haar vader, Africanus, maar stonden verstomd wanneer zij (verhalen) over haar zonen en wat die hadden gedaan en geleden, begon op te halen zonder dat er tranen of enige tekenen van droefheid op haar gelaat waren te zien. Zij verhaalde dat alles, beantwoordde de vragen die haar hieromtrent werden gesteld op zulk een wijze alsof er over helden uit de oude tijd werd gesproken. 3. Dit gaf aanleiding, dat sommigen haar beschouwden als door de jaren en de overmaat van haar rampen suf en gevoelloos geworden. Doch deze ontbrak het inderdaad zelf aan het rechte gevoel om te beseffen hoezeer een edele inborst en een verhevene afkomst, gepaard met een goede opvoeding, de mens kunnen helpen om droefheid te verzetten en dat de Fortuin wel eens de deugd, hoezeer zij zich voor het kwaad hoedde, overmeestert, maar in het ongeluk niet het vermogen ontneemt om zich daarbij wijselijk te gedragen.

  1. Bij Orosius wordt hij Minucius genoemd, bij Appianus wordt hij Mummius genoemd.
  2. Homerus, Odysseia I 47.
  3. Dit is een van de levensbeschrijvingen die ons niet is overgeleverd geworden.