Reize door de majorij van 's Hertogenbosch/Achtiende Brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zeventiende Brief Reize door de majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Achtiende Brief

Negentiende Brief


[ 127 ]

ACHTTIENDE BRIEF.

 Allerbeste Vriend!

Ach! hoe zeer ben ik in mijne verwachting ten leur gesteld, mijn Vriend! ik meende heden mijne reize naar 's Bosch voord te zetten, om dan morgen van daar ten schepe naar U heen te reizen, doch kort, nadat ik mijnen voorigen aan U had weggezonden, wierd ik onpaslijk; dit wierd misschien veröorzaakt, omdat ik mij, op mijne wandeling naar Hilvarenbeek enz., wat al te sterk vermoeid had; ik kreeg nog denzelfden avond eene sterke koorts verzeld met hevige hoofdpijn, welke mij den geheelen nacht bijbleef, zoodat ik 'er zeer door verzwakt wierd. – Ik zit deezen, want ik ben nog niets beter, dan dat mij de koorts thands verlaaten heeft, in mijn bed te schrijven. Stel U intusschen gerust; mijne ziekte is, of 'er zouden onvoorziene toevallen bij moeten komen, naar alle waarschijnlijkheid niet doodlijk, doch zo ik mij erger begin te gevoelen, zal ik U terstond schrijven of laaten schrijven – denk ondertusschen: geene tijding, goede tijding. – Ik zal mij heden stil in het bed houden, en dus de les van den grooten Celsus, die wij reeds, als kinderen in onze Sijntaxis leerden, opvolgen, en zien of stilte en rust mij weder op de been kunnen brengen, hij immers zegt: [ 128 ]

Multi magni morbi curantur abstinentia et quieta.

Ik moet eindigen, want alles schemert mij reeds voor de oogen. – Zend mij ten eersten een klein Wisseltjen, want zoo ik nog eenige dagen hier moet blijven, zal het weinige geld, dat ik nog overig heb, schielijk gevloogen zijn. – Ik ben, enz.