Naar inhoud springen

Sinne- en minnebeelden/’t Neemt toe, men weet niet hoe

[ 33 ]

′t Neemt toe, men weet niet hoe.

LAest gingh ick inden hof, daer schreef ick op een linde,
Ick sneed' in een pompoen den naem van mijn beminde;
 Het schrift was eerstmael teer, men sach daer anders niet
 Als, dat het groen ghewas beschreyde mijn verdriet:
Maer als ick naderhant hier weder quam ghetreden,
Doen ftontet uytghepuylt al wat ick had ghesneden;
 Dies riep ick overluyt; dus gaetet mette min,
 Daer komt een groote wond oock van een kleyn begin.