Staatsregeling van Curaçao/Hoofdstuk 3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk 2 Regering Hoofdstuk 3 Staten van Staatsregeling van Curaçao Hoofdstuk 4 Raad van Advies, Algemene Rekenkamer, Ombudsman en vaste colleges van advies


Hoofdstuk 3. Staten[bewerken]

Artikel 37

De Staten vertegenwoordigen het gehele Curaçaose volk.

Artikel 38

De Staten bestaan uit eenentwintig leden.

Artikel 39

De zittingsduur van de Staten is vier jaren.

Artikel 40

1. De leden van de Staten worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen bij landsverordening te stellen grenzen.

2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 41

1. De leden van de Staten worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen van Curaçao die Nederlanders zijn en de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

2. Van het kiesrecht is uitgesloten:

a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij landsverordening aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht;
b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten.

Artikel 42

Om lid van de Staten te kunnen zijn is vereist dat men ingezetene van Curaçao is, de Nederlandse nationaliteit bezit, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 43

1. Een lid van de Staten kan niet tevens zijn:

a. Gouverneur
b. vervanger van de Gouverneur
c. minister,
d. gevolmachtigde minister,
e. lid van de Raad van Advies,
f. lid van de Algemene Rekenkamer,
g. ombudsman,
h. lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

2. Niettemin kan een minister of gevolmachtigde minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten.

3. Bij landsverordening kunnen ten aanzien van andere openbare betrekkingen worden bepaald dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 44

1. Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de leden van de Staten. Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd lid van de Staten zijn.

2. Wanneer personen, die verkeren in één van de gevallen bedoeld in het eerste lid, tegelijkertijd gekozen worden, wordt alleen toegelaten hij, die de meeste stemmen verkreeg, en bij gelijk aantal stemmen, de oudste. Indien in laatstbedoeld geval ook de leeftijden gelijk zijn, beslist het lot.

3. Hij, die na zijn verkiezing komt te verkeren in het geval, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid, kan op die grond niet verplicht worden af te treden vóór de afloop van zijn tijd van zitting.

Artikel 45

De Staten onderzoeken de geloofsbrieven van de nieuwbenoemde leden en beslissen met inachtneming van bij landsverordening te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 46

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij landsverordening geregeld.

Artikel 47

Op de wijze bij landsverordening voorgeschreven leggen de leden van de Staten bij de aanvaarding van hun ambt een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Staatsregeling en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 48

De Staten benoemen uit de leden een voorzitter en een ondervoorzitter.

Artikel 49

1. De Staten benoemen hun griffier. Deze en de overige ambtenaren van de Staten kunnen niet tevens lid van de Staten zijn.

2. De benoeming, schorsing, ontslag en rechtspositie van de griffier, alsmede van de overige ambtenaren van de Staten worden bij landsverordening geregeld.

Artikel 50

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten en van hun nabestaanden worden bij landsverordening geregeld.

Artikel 51

1. De Staten kunnen bij landsbesluit worden ontbonden.

2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden Staten en tot het samenkomen van de nieuw gekozen Staten binnen drie maanden.

3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen Staten samenkomen.

4. Bij landsverordening kan de zittingsduur van een na ontbinding optredende Staten op een kortere termijn worden vastgesteld dan in artikel 39 is bepaald.

Artikel 52

1. Het zittingsjaar van de Staten wordt door de Voorzitter geopend of gesloten. Het gewone zittingsjaar vangt aan op de tweede dinsdag van de maand september.

2. Bij de opening van het gewone zittingsjaar van de Staten wordt door of namens de Gouverneur een uiteenzetting van het door de Regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 53

1. De vergaderingen van de Staten zijn openbaar.

2. Door de Staten wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten. De deuren worden gesloten, wanneer vier leden het vorderen of de voorzitter het nodig oordeelt.

3. De vergadering kan niet dan met twee derden van de uitgebrachte stemmen besluiten, dat met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 54

1. De Staten mogen alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

3. De leden stemmen zonder last.

4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 55

De ministers geven de Staten mondeling of schriftelijk de door één of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van het Land of van het Koninkrijk.

Artikel 56

1. De ministers hebben toegang tot de vergaderingen van de Staten en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

2. Zij kunnen door de Staten worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 57

De Staten hebben het recht van enquête, te regelen bij landsverordening.

Artikel 58

De leden van de Staten, de ministers en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 59

De Staten stellen hun reglement van orde vast. Het wordt openbaar gemaakt door plaatsing in het Publicatieblad.

Artikel 60

De Staten zijn bevoegd de belangen van Curaçao voor te staan bij de regering van het Koninkrijk en bij de Staten-Generaal.