Theo van Doesburg/Expressionistisch-literaire komposities

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Expressionistisch-literaire komposities
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum fenruari 1919
Titel ‘Expressionistisch-literaire komposities. I’
Tijdschrift Het Getij
Jg, nr, pg 4, 2, 37-39
Opmerkingen In het maartnummer van de 4e jaargang van Het Getij staat m.b.t. dit artikel de volgende rectificatie: ‘In “Proeve van expressionistisch literaire composities”, in het vorige nummer staat bovenaan blz. 38 blond inplaats van blind oog’.
Genre(s) Fictie
Brontaal Nederlands
Bron Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, pp. 682-683. ISBN 9068682555
Auteursrecht Publiek domein

Expressionistisch-literaire komposities. I

      I
      Het gillend gele lichtlichaam stond brutaal tusschen hen in. Liet het door-elkaâr der rond-witte vormen zien op het rond-zwarte theebladvlak.
      Gesprenkeld was dit alles met kleine vlekken.
      Nu en dan boog uit den linker-hoek een hoofd naar het venster over en was haar haar te zien als wat graauwe sigarenasch.

Buiten-omlaag waren lichte en donkere cirkels tusschen de naauwe opening gedrukt en afgesneden door de verticaal-zwarte gordijnvlakken. Cirkels — en hier en daar roode stippen en groene vlekken, horizontale en verticale lijnen zonder beteekenis.

Buiten-omhoog hing de duisternis — enorme zwarte ballon.

Binnen-omhoog: ’n graauw-wit vierkant, vlak gedragen door fluweel-zwarte duisternis en diep-zwarte verticale schaduw-pilaren.

Niets woog en alles was stil.

Binnen-omlaag dáár leefden ze en hingen de dingen gemakkelijk-bereikbaar aan de donkere wanden hier en daar oversneden door ’n geelgroene lichtstreep, gelijk het blinkend lemmet van ’n zwaard.

Ik vormde al drie maanden ’n hoek met hen in deze duisternis en ik dacht: hoe het leven ook wegrotten kan zònder eerst rijp te zijn geweest; hoe het lichtschijnsel van de straatlantaarn altijd den zelfden vorm de tafel oversneed en tusschen deze vrouwen in was als ’n gele glanzende taart, waaromheen wij hongerig zaten — een gele glanzende taart, die maar niet verdeeld werd. Ha! Ha!

Ik dacht: hoe het toch mogelijk was, dat de blinden niet naar licht verlangden, de hongerigen niet naar spijs en zij zich weldadig en verzadigd konden voelen te midden der duisternis en gekweld door honger...
      Dan kwam mij dit kleine, benauwde vertrek voor als één groot blond oog, waarover een bedriegelijk lichtverschijnsel-vanbuitenaf lag.
      Hoe langer ik zoo zat des te dichter de duisternis mij ging omsluiten. Dàt was het gevoel van naderende blindheid...

      De twee vrouwen, die het theeblad en het licht-lichaam tusschen zich in hadden, bewogen zich niet en àls ze een enkel woord spraken, dan was er ook geen beweging in dat woord.
      Zoo zaten zij te sterven dag na dag, bespraken onderwijl elkaârs gebreken of elkanders kleêren of de gebreken en kleêren der buren in klank en kleurlooze woorden, die elke beteekenis misten.

Wanneer ik mijn hoofd naar den linkerhoek wendde, waarin ik de oudste der twee vrouwen wist, dan wendde zij haar hoofd af, deed haar schemerhand voor haar duistergelaat en trok zich terug tot puur zwart.
      Zij reageerde op mijn persoonlijkheid met een zwakke verachting. Ik was voor haar een vraag, die zij altijd met hetzelfde gebaar beantwoordde. Ik ondervond dan het gevoel alsof ik aan het nachtstrand met bloote voet op een slijmerig beest trapte.
      Zij wist mij meer dan dat ze mij zag.
      Zij was afkeerig van lampen die aan waren of van spiegels die haar beeltenis weerkaatsten.

Dit kleine vertrek was op dàt schemeruur een rechtopstaande doodkist gelijk, waarin wij schijndood zaten.
      Ik deelde dit spel nu reeds drie maanden met hen en het kwam mij op dàt uur dikwijls in den zin, mij bij de eerst-komende gelegenheid de hals af te scheren — maar helaas! Ik schoor mij altijd in den morgen.

Om tien uur was het gapenstijd. Het stond op hun duisternisuurwerk: tien uur gapen... elf uur slapen... tien uur gapen... elf uur slapen... eindeloos... eindeloos... eindeloos...

Dan wendde mijn hoofd zich werktuigelijk naar den linkerhoek, waar ik de jongste en dikste der twee vrouwen wist. ‘Hoe de onrijpe dingen toch opdrogen en ook vergaan... hoe de onrijpe dingen toch slinken en krimpen en rimpelig worden en graauw en hard als kleine kiezelsteenen.’ Naarmate hare oogen zich dicht persten, spalkte zich haar mond — ’n zwart gat met een gelenbrand afgezet: Hèajaaahuj!
      Dat was het nachtsein.
      En de nacht slokte hen gulzig op.
      Dan waren zij aan de duisternis vastgezogen; hingen er in uren lang.
En de nacht was zwanger van deze dubbele dracht.

Des morgens liepen deze vrouwen, zwanger van den nacht, met gelige gezichten door de graauwe portalen. Zij wierpen schaduwen voor zich uit en kilte.

De oudste deed alles met een nachtelijke geruischloosheid en schrikte als de bel ging of wanneer de innerlijke duisternis verstoord werd door een lichtschijnsel dat aan haar voorbij ging.

De jongste was de groteske, kort-breede schaduwbeeltenis van dit alles. De gelijkenis.

En als de schemer weer volslagen gelijk was aan hen zelf en als ik dan weer den zelfden hoek des driehoeks was... dan dacht ik er weer over hoe men zich wurgt of den nek afscheert en welke een effect het zou maken, wanneer men U vond hangen aan de zoldering met blaauwgezwollen kop en het lichaam hard en buiten de normale proporties uitgerekt.
      ‘Uwe kleêren, mijnheer, zouden van een belachelijke krapheid zijn... ha, ha!’

Haarlem, 1916.