Verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Type Multilateraal
Ondertekening 27 juli 1929 in Genève
Inwerkingtreding 19 juni 1931
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Wijzigt Vierde Conventie van Den Haag 1907
Vervangen door Derde Geneefse Conventie van 1949
Leden 53
Bron Rodekruis.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen op Wikipedia

Verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Genève, 27 Juli 1929

(Aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden)

Erkennende dat, in het uiterste geval van een oorlog, het de plicht van iedere Mogendheid zal zijn om daarvan zooveel mogelijk de onvermijdbare hardheden te lenigen en het lot der krijgsgevangenen te verzachten;

Wenschende de grondslagen te ontwikkelen die ten grondslag liggen aan de internationale verdragen van ’s-Gravenhage, in het bijzonder het verdrag betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog en het Reglement dat daaraan is gehecht;

Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en hebben tot hunne Gevolmachtigden benoemd:

(volgen de namen der gevolmachtigden)

Inhoud

Titel I – Algemeene bepalingen[bewerken]

Artikel 1 Dit Verdrag zal van toepassing zijn, onverminderd hetgeen in titel VII bepaald wordt:

  • 1. op alle personen die bedoeld worden in de artikelen 1, 2 en 3 van het bij het Haagse Verdrag nopens de wetten en gebruiken van den oorlog te land van 18 October 1907 gevoegde Reglement, en die gevangen genomen zijn door den vijand;
  • 2. op alle tot de gewapende machten der oorlogvoerende partijen behoorende personen, die door den vijand zijn gevangen genomen gedurende krijgsverrichtingen ter zee of in de lucht, behoudens de door de omstandigheden van deze gevangenneming onvermijdelijk gemaakte afwijkingen. Deze afwijkingen evenwel zullen aan de grondbeginselen van dit Verdrag geen afbreuk mogen doen; zij zullen eindigen op het oogenblik, waarop de gevangen genomen personen een gevangenenkamp bereikt zullen hebben.

Artikel 2 De krijgsgevangenen bevinden zich in de macht van de vijandelijke mogendheid, doch niet in die der personen of troepenafdeelingen, die hen hebben gevangen genomen.
Ten allen tijde moeten zij met menschlievendheid worden behandeld en beschermd, met name tegen daden van geweld, beleedigingen en publieke nieuwsgierigheid.
Represaillemaatregelen te hunnen aanzien zijn verboden.

Artikel 3 De krijgsgevangenen hebben recht op eerbiediging van hunne persoonlijkheid en hunne eer. De vrouwen zullen behandeld worden met alle aan hare kunne verschuldigde voorkomendheid.
De gevangenen behouden hunne volledige burgerlijke bevoegdheid.

Artikel 4 De mogendheid, die de krijgsgevangenen in haar macht heeft, is verplicht in derzelver onderhoud te voorzien.
Verschil van behandeling tusschen krijgsgevangenen is slechts geoorloofd, indien zij berust op den militairen rang, den lichamelijken of geestelijken gezondheidstoestand, de geschiktheid voor een handwerk of de kunne van degenen, die er van genieten.

Titel II - De gevangenneming[bewerken]

Artikel 5 Iedere krijgsgevangene is verplicht om, indien hij daaromtrent wordt ondervraagd, zijne ware namen en zijnen rang of wel zijn stamboeknummer op te geven.
In het geval hij dezen regel zou overtreden, zou hij zich blootstellen aan eene beperking der aan de krijgsgevangenen van zijne categorie toegestane voordeelen.
Geen enkele dwangmaatregel zal kunnen worden toegepast op gevangenen met het doel om inlichtingen te verkrijgen omtrent den toestand van hun leger of van hun land. Krijgsgevangenen, die weigeren te antwoorden, zullen noch bedreigd, noch beleedigd, noch blootgesteld kunnen worden aan onaangenaamheden of nadeelen van welken aard ook.
Indien een gevangene op grond van zijn lichaamelijken of geestelijken toestand niet in staat is om zijne identiteit op te geven, zal hij aan den geneeskundigen dienst worden toevertrouwd.

Artikel 6 Alle goederen en voorwerpen van persoonlijk gebruik – uitgezonderd wapenen, paarden, militaire uitrusting en militaire papieren – zullen in het bezit van de krijgsgevangenen blijven, evenals de metalen helmen en de gasmaskers.
De geldsommen, welke de gevangenen bij zich hebben, zullen hun slechts op bevel van een officier kunnen worden ontnomen en niet dan na vaststelling van het bedrag. Een ontvangstbewijs zal er voor worden afgegeven. De op deze wijze afgenomen gelden zullen op rekening van iederen gevangene worden gezet.
Identiteitsstukken, rangteekenen, onderscheidingen en voorwerpen van waarde zullen den gevangenen niet kunnen worden ontnomen.

Titel III – Van de gevangenschap[bewerken]

Afdeeling I – Van de evacuatie der gevangenen[bewerken]

Artikel 7 Binnen den kortst mogelijken tijd na hunne gevangenneming zullen de krijgsgevangenen worden geëvacueerd naar verzamelplaatsen gelegen in een streek, die ver genoeg van de gevechtszône af is, dat zij er zich buiten gevaar bevinden.
In een gevaarlijke zône zullen slechts tijdelijk die gevangenen kunnen worden gehouden, die wegens hunne wonden of ziekten meer gevaar zouden loopen, indien zij worden geëvacueerd dan indien zij ter plaatse blijven.
De gevangenen zullen, terwijl zij op evacuatie uit een gevechtszône wachten, niet onnoodig aan gevaar worden blootgesteld.
De evacuatie te voet van gevangenen zal normaal slechts mogen geschieden met etappen van 20 K.M. per dag, tenzij de noodzakelijkheid om water- en voedseldepôts te bereiken langere etappen noodig maakt.

Artikel 8 De oorlogvoerenden zijn verplicht om elkander zoo spoedig mogelijk van alle gevangennemingen door tusschenkomst van de inlichtingsbureaux, zooals deze in artikel 77 zijn georganiseerd, te verwittigen.
Tevens zijn zij verplicht elkander de officieele adressen mede te deelen, waarheen de brieven der familieleden aan de krijgsgevangenen kunnen worden gericht.
Zoodra mogelijk zal ieder gevangene in de gelegenheid moeten worden gesteld met zijne familie zelf te correspondeeren, onder de voorwaarden in artikel 36 en volgende bepaald.
Wat gevangenen betreft die op zee zijn gemaakt, zullen de bepalingen van dit artikel zoo spoedig mogelijk na aankomst in de haven in acht worden genomen.

Afdeeling II – Van de gevangenkampen[bewerken]

Artikel 9 De krijgsgevangenen zullen geïnterneerd kunnen worden in een stad, fort of welke plaats ook, met de verplichting zich daarvan niet te verwijderen buiten zekere bepaalde grenzen. Zij zullen eveneens in afgesloten kampen geïnterneerd kunnen worden; zij zullen slechts mogen worden opgesloten of geconsigneerd bij wijze van onmisbare maatregel van zekerheid of van hygiëne, en alleen voor den duur der omstandigheden, welke dezen maatregel noodig maken.
Gevangenen, die gemaakt zijn in ongezonde streken of in streken, waarvan het klimaat verderfelijk is voor personen, die uit de gematigde streken komen, zullen zoo spoedig mogelijk naar een gunstiger klimaat worden overgebracht.
De oorlogvoerenden moeten zooveel mogelijk vermijden om gevangenen van verschillende rassen of nationaliteiten in hetzelfde kamp onder te brengen.
Geen gevangene mag, op welk tijdstip ook, worden teruggestuurd naar een streek, waar hij aan het vuur der gevechtszône blootgesteld zou zijn, noch gebezigd worden om door zijne aanwezigheid zekere punten of zekere streken buiten bombardement te stellen.

Hoofdstuk 1 – Van de inrichting der kampen[bewerken]

Artikel 10 De krijgsgevangenen zullen gehuisvest worden in gebouwen of barakken, welke alle mogelijke waarborgen van hygiëne en zindelijkheid bieden.
De lokalen moeten geheel vochtvrij zijn, genoegzaam verwarmd en verlicht. Alle voorzorgsmaatregelen tegen brandgevaar moeten worden genomen.
Wat de slaapzalen betreft, zullen de totaal-oppervlakte, de minimum luchtinhoud, de inrichting en het slaapmaterieel aan dezelfde eischen moeten voldoen als voor de depot-troepen van de gevangenhoudende mogendheid.

Hoofdstuk 2 – Van het voedsel en de kleeding der krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 11 Het voedselrantsoen der krijgsgevangenen zal gelijkwaardig zijn zoowel van hoeveelheid als van hoedanigheid, aan het rantsoen der depot-troepen.
De gevangenen zullen bovendien de middelen krijgen om zelf de extra voorraden, waarover zij mochten beschikken, toe te bereiden.
Voldoende drinkwater zal hun worden verstrekt. Het gebruik van tabak zal geoorloofd zijn. De gevangenen zullen in de keukens kunnen worden tewerkgesteld.
Alle collectieve krijgstuchtelijke maatregelen, welke betrekking hebben op de voeding, zijn verboden.

Artikel 12 Kleeding, linnengoed en schoeisel zullen door de gevangenhoudende mogendheid aan de krijgsgevangenen worden verstrekt. In de vervanging en de herstelling dezer goederen zal regelmatig moeten worden voorzien. Bovendien zullen de werkende gevangenen overal waar de aard van het werk zulks eischt, een werkpak ontvangen.
In alle kampen zullen cantines worden ingericht, waar de gevangenen zich tegen de prijzen van den handel ter plaatse voedingsmiddelen en de gebruikelijke voorwerpen zullen kunnen verschaffen.
De winst, welke de cantines aan de kampadministraties opleveren, zullen ten bate van de gevangenen moeten worden aangewend.

Hoofdstuk 3 – Van de hygiëne in de kampen[bewerken]

Artikel 13 De oorlogvoerenden zijn verplicht om alle maatregelen van hygiëne te treffen, welke noodig zijn om de reinheid en de zindelijkheid der kampen te verzekeren en om epidemieën te voorkomen.
De krijgsgevangenen moeten dag en nacht kunnen beschikken over installaties, welke in overeenstemming zijn met de regels der hygiëne en welke in een voortdurenden staat van reinheid worden gehouden.
Bovendien zal, onverminderd de baden en douches waarvan de kampen zooveel mogelijk moeten zijn voorzien, aan de gevangenen voor de verzorging van hunne lichamelijke reinheid een voldoende hoeveelheid water worden verstrekt.
Zij zullen de gelegenheid moeten hebben om zich aan lichaamsoefeningen te wijden en van de buitenlucht te genieten.

Artikel 14 Elk kamp zal voorzien zijn van een ziekenzaal, waar de krijgsgevangenen alle verzorging zullen ontvangen, welke zij noodig mochten hebben. Indien het geval zich voordoet, zullen afzonderingsvertrekken gereserveerd worden voor zieken, die door besmettelijke aandoeningen zijn aangetast.
De kosten van behandeling, met inbegrip van de kosten der voorloopige kunstledematen, zullen ten laste komen van de gevangenhoudende mogendheid.
De oorlogvoerenden zijn verplicht om op aanvraag aan iederen behandelden gevangene eene officieele verklaring te verstrekken, welke den aard en den duur van de ziekte, alsmede de ontvangen verzorging vermeldt.
Het zal den oorlogvoerenden vrijstaan elkander langs den weg van bijzondere schikkingen toe te staan om in de kampen met de verzorging hunner gevangen landgenooten belaste geneesheeren en ziekenverplegers te behouden.
De gevangenen, die door een zware ziekte zijn aangetast of wier de toestand een ernstig operatief ingrijpen noodzakelijk maakt, zullen op kosten van de gevangenhoudende mogendheid toegelaten moeten worden tot elke militaire of burgerlijke inrichting, welke geschikt is om hen te behandelen.

Artikel 15 Ten minstens éénmaal per maand zullen geneeskundige inspecties over de krijgsgevangenen plaats hebben. Deze zullen tot doel hebben de contrôle van den algemeenen gezondheidstoestand en den stand der zindelijkheid, evenals de opsporing van besmettelijke ziekten, met name van tuberculose en van venerische aandoeningen.

Hoofdstuk 4 – Van de geestelijke en zedelijke behoeften der krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 16 Alle vrijheid zal aan de krijgsgevangenen worden gelaten voor het uitoefenen van hunnen godsdienst, met inbegrip van het bijwonen van hunnen eeredienst, op de enkele voorwaarde, dat zij zich zullen gedragen naar de door de militaire overheid voorgeschreven maatregelen van orde en politie.
Gevangengenomen bedienaren van eenen eeredienst, welke ook de benaming van dezen eeredienst zij, zullen bevoegd zijn om hun ambt onder hun geloofsgenooten volledig uit te oefenen.

Artikel 17 De oorlogvoerenden zullen de door de krijgsgevangenen georganiseerde geestelijke en sportieve ontspanningen zooveel mogelijk aanmoedigen.

Hoofdstuk 5 – Van de inwendige krijgstucht der kampen[bewerken]

Artikel 18 Elk gevangenkamp zal geplaatst zijn onder het bevel van een verantwoordelijk officier.
Behalve de eerbewijzen voorgeschreven in de hunne legers van kracht zijnde reglementen ten aanzien van hunne nationalen, zullen de krijgsgevangenen den militairen groet moeten brengen aan alle officieren van de gevangenhoudende mogendheid.
Krijgsgevangen officieren zijn slechts verplicht de officieren van hoogeren of gelijken rang van deze mogendheid te groeten.

Artikel 19 Het dragen van de rangteekenen en onderscheidingen zal geoorloofd zijn.

Artikel 20 Reglementen, bevelen, waarschuwingen en bekendmakingen van elken aard zullen aan de krijgsgevangenen moeten worden medegedeeld in een taal welke zij begrijpen. Hetzelfde beginsel is toepasselijk op de verhooren.

Hoofdstuk 6 – Bijzondere bepalingen betreffende officieren en gelijkgestelden[bewerken]

Artikel 21 Dadelijk bij het begin der vijandelijkheden zullen de oorlogvoerenden verplicht zijn elkander de in hunne respectievelijke legers in gebruik zijnde titels en rangen mede te deelen, ten einde gelijkheid van behandeling te waarborgen tusschen officieren en gelijkgestelden van overeenkomstige rangen.
De krijgsgevangen officieren en gelijkgestelden zullen behandeld worden met de aan hun rang en aan hun leeftijd verschuldigde voorkomendheid.

Artikel 22 Ten einde de bediening in de officierskampen te verzekeren, zullen krijgsgevangen soldaten van hetzelfde leger en zooveel mogelijk dezelfde taal sprekend, daarbij in voldoende aantal worden gedetacheerd, rekening houdende met den rang der officieren en gelijkgestelden.
Deze zullen zich hun voedsel en hun kleeren verschaffen uit het traktement, dat hun door de gevangenhoudende mogendheid zal worden uitgekeerd. De voering der huishouding door de officieren zelf zal in alle wijzen moeten worden bevorderd.

Hoofdstuk 7 – Van de geldmiddelen der krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 23 Onder voorbehoud van bijzondere overeenkomsten tusschen de oorlogvoerende mogendheden, met name die overeenkomsten welke in artikel 24 worden bedoeld, zullen de krijgsgevangen officieren en gelijkgestelden van de gevangenhoudende mogendheid hetzelfde traktement ontvangen als de officieren van den overeenkomstigen rang in het leger van deze mogendheid, onder voorwaarde evenwel, dat dit traktement niet hooger zal zijn dan hetgeen waarop zij recht hebben in de legers van het land, dat zij hebben gediend. Dit traktement zal hun in zijn geheel, zoo mogelijk eenmaal per maand, worden uitgekeerd en zonder dat eenige aftrek zal kunnen plaats hebben voor uitgaven, welke ten laste van de gevangenhoudende mogendheid komen, zelfs al zouden deze uitgaven te hunnen voordeele zijn.
Een overeenkomst tusschen de oorlogvoerenden zal den wisselkoers vaststellen welke op deze betaling toepasselijk is; bij gebreke van zoodanige overeenkomst zal de aangenomen koers de koers zijn welke op het oogenblik van de opening der vijandelijkheden gold.
Alle als traktement aan de krijgsgevangenen gedane uitkeeringen zullen aan het einde der vijandelijkheden door de mogendheid, welke zij hebben gediend, moeten worden terugbetaald.

Artikel 24 Dadelijk bij den aanvang der vijandelijkheden zullen de oorlogvoerenden in gemeen overleg het maximum bedrag in baar geld vaststellen, hetwelk aan krijgsgevangenen van de verschillende rangen en categorieën geoorloofd zal zijn bij zich te houden. Alle daarbovengaande bedragen, welke eenen gevangene ontnomen of onthouden zullen worden, zullen evenals alle door hem in depôt gegeven bedragen worden ingeschreven op zijn rekening en zullen niet zonder zijne toestemming mogen worden omgewisseld in een andere muntsoort.
De batige saldi van hunne rekeningen zullen aan de krijgsgevangenen aan het einde hunner gevangenschap worden uitgekeerd.
Gedurende den duur der gevangenschap zullen hun faciliteiten verleend worden om deze bedragen geheel of gedeeltelijk aan banken of particulieren in hun eigen land over te maken.

Hoofdstuk 8 – Van de overbrenging der krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 25 Tenzij de loop der krijgsverrichtingen dit vereischt, zullen zieke en gewonde krijgsgevangenen niet worden overgebracht, zoolang hunne genezing door de reis zou kunnen worden benadeeld.

Artikel 26 In geval van overbrenging zullen de krijgsgevangenen van te voren officieel verwittigd worden van hunne nieuwe bestemming; hun zal vergund zijn hunne eigen goederen, hunne correspondentie en de aan hun adres aangekomen pakketten mede te nemen.
Alle daartoe dienstige maatregelen zullen genomen worden, opdat de aan hun oude kamp geadresseerde correspondentie en pakketten zonder verwijl hun worden overgemaakt.
De op rekening der overgebrachte gevangenen geplaatste bedragen zullen worden overgemaakt aan de bevoegde overheid van de plaats van hun nieuw verblijf.
De door de overbrenging veroorzaakte kosten zullen ten laste komen van de gevangenhoudende mogendheid.

Afdeeling III – Van het werk der krijgsgevangenen[bewerken]

Hoofdstuk 1 – Algemeene bepalingen[bewerken]

Artikel 27 De oorlogvoerenden zullen de gezonde krijgsgevangenen, officieren en met hen gelijkgestelden uitgezonderd, kunnen bezigen voor werkzaamheden naar hun rang en hunne geschiktheid.
Indien evenwel officieren of gelijkgestelden een bezigheid vragen, welke hun past, zal deze hun zooveel mogelijk moeten worden gegeven.
Krijgsgevangen onderofficieren mogen slechts tot bewakingswerkzaamheden verplicht worden, tenzij zij uitdrukkelijk eene betaalde bezigheid vragen.
De oorlogvoerenden zullen verplicht zijn om gedurende den geheelen duur der gevangenschap de krijgsgevangenen, die het slachtoffer zijn van ongelukken, hun bij het werk overkomen, te doen genieten van de bepalingen, welke volgens de wetgeving van de gevangenhoudende mogendheid op de werklieden van dezelfde categorie van toepassing zijn. Wat de krijgsgevangenen betreft op wie deze wettelijke bepalingen niet zouden kunnen worden toegepast ten gevolge van de wetgeving van deze mogendheid, verplicht deze zich om aan haar wetgevend lichaam alle maatregelen aan te bevelen, welke tot eene billijke vergoeding aan de slachtoffers kunnen leiden.

Hoofdstuk 2 – Van de inrichting van het werk[bewerken]

Artikel 28 De gevangenhoudende mogendheid aanvaart de volle aansprakelijkheid voor het onderhoud, de verzorging, de behandeling en de betaling der salarissen der krijgsgevangenen, die voor rekening van particulieren werken.

Artikel 29 Geen enkel krijgsgevangene zal gebezigd mogen worden tot het verrichten van werkzaamheden, waartoe hij lichamelijk ongeschikt is.

Artikel 30 De duur van het dagelijksche werk der krijgsgevangenen, den heen- en terugweg inbegrepen, zal niet overmatig mogen zijn en zal in geen geval langer mogen zijn dan de werktijd der burger arbeiders van de streek, die voor hetzelfde werk worden gebezigd. Een etmaal rust per week zal aan iederen gevangene moeten worden verleend, bij voorkeur op Zondag.

Hoofdstuk 3 – Van verboden werk[bewerken]

Artikel 31 De door de krijgsgevangenen verrichte werkzaamheden mogen geenerlei rechtstreeksch verband houden met de krijgsverrichtingen. Het is in het bijzonder verboden om gevangenen te gebruiken bij de fabricatie en het vervoer van wapenen of munitie van welken aard ook, evenals bij het vervoer van materieel, dat voor strijdende legers bestemd is.
In geval van schending van de bepalingen van het voorgaande lid hebben de gevangenen de vrijheid, na uitvoering of begin van uitvoering der opdracht, hunne bezwaren in te dienen door tusschenkomst van de vertrouwensmannen, wier werkzaamheden bepaald worden in de artikelen 43 en 44 of, bij gebreke van een vertrouwensman, door tusschenkomst van de vertegenwoordigers der beschermende mogendheid.

Artikel 32 Het is verboden krijgsgevangenen te gebruiken bij ongezonde of gevaarlijke werkzaamheden. Elke verzwaring der arbeidsvoorwaarden bij wijze van krijgstuchtelijken maatregel is verboden.

Hoofdstuk 4 – Van de werkploegen[bewerken]

Artikel 33 Het regime der werkploegen zal gelijk moeten zijn aan dat der gevangenenkampen, in het bijzonder wat betreft de hygiënische toestanden, de voeding, de verpleging in geval van ongeluk of van ziekte, de correspondentie en de ontvangst van pakketten.
Elke werkploeg zal behooren bij een gevangenenkamp. De commandant van dit kamp zal verantwoordelijk zijn voor de inachtneming in de werkploeg van de bepalingen van dit Verdrag.

Hoofdstuk 5 – Van het salaris[bewerken]

Artikel 34 De krijgsgevangenen zullen geen salaris ontvangen voor de werkzaamheden betreffende de administratie, de inrichting en het onderhoud der kampen.
De gevangenen, die voor andere werkzaamheden gebruikt worden, zullen recht hebben op een salaris, dat moet worden vastgesteld in overeenkomsten tusschen de oorlogvoerenden.
Deze overeenkomsten zullen eveneens het deel specificeeren, dat de kamp-administratie zal kunnen afhouden, het bedrag dat aan den krijgsgevangene zal toebehooren en de wijze, waarop dit bedrag gedurende den duur van zijn gevangenschap te zijner beschikking zal worden gesteld.
In afwachting van het sluiten van bedoelde overeenkomsten zal de betaling van het werk der gevangenen vastgesteld worden volgens onderstaande normen:

  • a. De werkzaamheden, welke voor den Staat zijn verricht, zullen betaald worden volgens de tarieven, welke voor de militairen van het nationale leger, die dezelfde werkzaamheden verrichten, van kracht zijn of, indien zulke tarieven niet bestaan, volgens een tarief in verhouding tot de uitgevoerde werkzaamheden.
  • b. Wanneer de werkzaamheden voor rekening van andere openbare administraties of voor particulieren hebben plaats gehad, zullen de voorwaarden er voor in overleg met de militaire overheid worden geregeld.

Het saldo, dat op de rekening van den gevangene blijft, zal hem aan het eind van zijn gevangenschap worden ter hand gesteld. In geval van overlijden zal het langs de diplomatieken weg aan de erfgenamen van den overledene worden overgemaakt.

Afdeeling IV – Van de betrekkingen der krijgsgevangenen met de buitenwereld[bewerken]

Artikel 35 Dadelijk bij het begin der vijandelijkheden zullen de oorlogvoerenden de maatregelen publiceeren, welke genomen zijn tot de uitvoering van de bepalingen van deze afdeeling.

Artikel 36 Elk der oorlogvoerenden zal op gezette tijden het aantal brieven en briefkaarten vaststellen, dat de krijgsgevangenen van de verschillende categorieën per maand zullen mogen verzenden en zal dit aantal aan den anderen oorlogvoerende mededeelen. Deze brieven en briefkaarten zullen door de post langs den kortsten weg worden overgebracht. Zij zullen noch kunnen worden vertraagd noch kunnen worden achtergehouden uit overwegingen van krijgstucht.
Binnen den maximum tijd van een week na zijn aankomst in het kamp en eveneens in geval van ziekte zal iedere gevangene in staat worden gesteld aan zijne familie een briefkaart te zenden, welke haar inlicht over zijn gevangenneming en den staat van zijne gezondheid. Bedoelde briefkaarten zullen met de groots mogelijken spoed worden overgebracht en zullen op geen enkele wijze mogen worden vertraagd.
In het algemeen zal de correspondentie der gevangenen in hunne moedertaal gesteld moeten zijn. De oorlogvoerenden zullen de correspondentie in andere talen kunnen toestaan.

Artikel 37 Den krijgsgevangenen zal worden toegestaan om persoonlijke postpakketten te ontvangen, welke levensmiddelen en andere voor hun onderhoud of hun kleeding bestemde artikelen bevatten. De pakketten zullen tegen ontvangstbewijs aan de geadresseerden worden ter hand gesteld.

Artikel 38 De brieven en zendingen van geld of geldswaardige zaken, evenals postpakketten, welke bestemd zijn voor de krijgsgevangenen of die door hen hetzij rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van de in artikel 77 bedoelde inlichtingsbureaux worden verzonden, zullen vrijgesteld zijn van elk port, zoowel in de landen van herkomst en van bestemming als in de landen van doorvoer.
De voor de gevangenen bestemde giften en ondersteuningen in natura zullen evenzoo vrij zijn van alle rechten van invoer en andere rechten, evenals van de vervoerkosten op de door den Staat geëxploiteerde spoorwegen.
Den gevangenen zal in geval van erkende dringendheid toegestaan kunnen worden om tegen betaling van de gewone kosten telegrammen te verzenden.

Artikel 39 Den krijgsgevangenen zal worden toegestaan om persoonlijk zendingen van boeken te ontvangen, welke aan de censuur zullen kunnen worden onderworpen.
De vertegenwoordigers der beschermende mogendheden en der behoorlijk erkende en gemachtigde vereenigingen tot hulpbetoon zullen boekwerken en verzamelingen van boeken aan de bibliotheken der gevangenkampen kunnen zenden. De overbrenging van deze zendingen naar de bibliotheken zal niet kunnen worden vertraagd onder voorwendsel van censuurmoeilijkheden.

Artikel 40 De censuur van der correspondentie zal in het korst mogelijke bestek moeten geschieden. De contrôle der postzendingen zal bovendien moeten geschieden op zoodanige wijze, dat het behoud der levensmiddelen, die zij zouden kunnen bevatten, verzekerd zij en zoo mogelijk in tegenwoordigheid van den geadresseerde of een behoorlijk door hem erkende vertrouwensman.
De verboden tot correspondentie, door de oorlogvoerenden uitgevaardigd om militaire of politieke redenen, zullen slechts een tijdelijk karakter kunnen hebben en zullen zoo kort mogelijk moeten duren.

Artikel 41 De oorlogvoerenden zullen alle faciliteiten verzekeren voor de overmaking van voor de krijgsgevangenen bestemde of door hen geteekende akten, stukken of documenten, in het bijzonder van volmachten en testamenten.
Zij zullen de noodige maatregelen nemen om zoo noodig de legalisatie van de door de gevangenen gestelde handteekeningen te verzekeren.

Afdeeling V – Van de betrekkingen der krijgsgevangenen met de autoriteiten[bewerken]

Hoofdstuk 1 – Van de klachten der krijsgevangenen over het regime van de gevangenschap[bewerken]

Artikel 42 De krijgsgevangenen zullen het recht hebben om aan de militaire autoriteiten, onder wier macht zij zich bevinden, hunne bezwaarschriften te doen kennen betreffende het regime van gevangenschap, waaraan zij onderworpen zijn.
Zij zullen eveneens het recht hebben zich te wenden tot de vertegenwoordigers der beschermende mogendheden om hen op de punten opmerkzaam te maken, waarover zij zich mochten hebben te beklagen ten aanzien van het regime der gevangenschap.
Deze bezwaarschriften en reclames zullen met spoed moeten worden overgemaakt.
Zelfs indien zij niet als gegrond zullen worden erkend, zullen zij geen aanleiding tot eenige bestraffing mogen geven.

Hoofdstuk 2 – Van de vertegenwoordigers der krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 43 In elke lokaliteit, waar zich krijgsgevangenen bevinden, zullen deze het recht hebben om vertrouwensmannen aan te wijzen, die belast zijn met hen te vertegenwoordigen tegenover de militaire autoriteiten en de beschermende mogendheden.
Deze aanwijzing zal aan de goedkeuring van de militaire autoriteit zijn onderworpen.
De vertrouwensmannen zullen belast zijn met het in ontvangst nemen en met de verdeeling van collectieve zendingen. Eveneens, in geval de gevangenen mochten besluiten in hun midden een systeem van onderlingen bijstand te organiseeren, zal deze organisatie tot de bevoegdheid van de vertrouwensmannen behooren. Anderzijds zullen deze aan de gevangenen hun diensten kunnen verleenen om hunne betrekkingen met de in artikel 78 bedoelde vereenigingen tot hulpbetoon te vergemakkelijken.
In de kampen van officieren en gelijkgestelden zal de krijgsgevangen officier, die de oudste in den hoogsten rang is, erkend worden als tusschenpersoon tusschen de kampautoriteiten en de gevangen officieren of gelijkgestelden. Tot dit doel zal hij de bevoegdheid hebben een krijgsgevangen officier aan te wijzen om hem als tolk bij de besprekingen met de kampautoriteiten bij te staan.

Artikel 44 Wanneer vertrouwensmannen als arbeiders zullen worden gebruikt, zal hun werkzaamheid als vertegenwoordigers der krijgsgevangenen moeten worden begrepen in den verplichten arbeidsduur.
Alle faciliteiten zullen aan de vertrouwensmannen worden toegekend voor hunne correspondentie met de militaire autoriteiten en met de beschermende mogendheid. Deze correspondentie zal niet mogen worden beperkt.
Geen enkele vertegenwoordiger der gevangenen zal mogen worden overgeplaatst, zonder dat hem de noodige tijd is gelaten om zijne opvolgers op de hoogte te brengen van de loopende zaken.

Hoofdstuk 3 – Van de strafrechtelijke sancties ten aanzien der krijgsgevangenen[bewerken]

1. Algemeene beschikkingen[bewerken]

Artikel 45 De krijgsgevangenen zullen onderworpen zijn aan de in de legers der gevangenhoudende mogendheid van kracht zijnde wetten, reglementen en bevelen.
Elke daad van insubordinatie zal te hunnen opzichte de maatregelen, in die wetten, reglementen en bevelen bepaald, wettigen.
Evenwel blijven de bepalingen van dit hoofdstuk voorbehouden.

Artikel 46 De krijgsgevangenen zullen door de militaire autoriteiten en de rechtbanken van de gevangenhoudende mogendheid niet kunnen worden gestraft met andere straffen dan die, welke voor dezelfde feiten ten aanzien van de militairen der nationale legers bepaald zijn.
Bij gelijkheid van rang zullen de krijgsgevangen officieren, onderofficieren of soldaten die een krijgstuchtelijke straf ondergaan, niet onderworpen kunnen worden aan een minder gunstige behandeling dan die, welke met betrekking tot dezelfde straf in de legers van de gevangenhoudende mogendheid is bepaald.
Verboden zijn elke lijfstraf, elke opsluiting in van het daglicht afgesloten lokaliteiten en in het algemeen elke vorm van wreedheid, welke deze ook zij.
Eveneens zijn verboden collectieve straffen voor door enkelingen bedreven daden.

Artikel 47 De feiten, welke een vergrijp tegen de krijgstucht uitmaken en in het bijzonder de poging tot ontvluchting, moeten met spoed worden vastgesteld; voor alle krijgsgevangenen, hetzij deze een rang bezitten of niet, moeten de voorarresten tot het strikte minimum beperkt worden.
De gerechtelijke instructies tegen de krijgsgevangenen zullen zoo spoedig als de omstandigheden het veroorloven, plaats hebben; de voorloopige hechtenis zal zooveel mogelijk worden beperkt.
In alle gevallen zal de duur der voorloopige hechtenis worden afgetrokken van de krijgtuchtelijk of gerechtelijk opgelegde straf, voor zoover deze aftrek voor de nationale militairen is toegelaten.

Artikel 48 De krijgsgevangenen zullen na de gerechtelijke of krijgstuchtelijke straffen, welke hun zijn opgelegd, te hebben ondergaan, niet anders behandeld worden dan de andere gevangenen.
Evenwel zullen de gevangenen, die gestraft zijn wegens een poging tot ontvluchting, onderworpen kunnen worden aan een bijzonder bewakingsregime, maar dat niet de intrekking van eenige door dit Verdrag aan de gevangenen toegekende garanties met zich kan brengen.

Artikel 49 Geen krijgsgevangene kan door de gevangenhoudende mogendheid van zijn rang worden beroofd.
De krijgstuchtelijke gestrafte gevangenen zullen niet kunnen worden beroofd van de aan hun rang verbonden praerogatieven. In het bijzonder zullen officieren en gelijkgestelden, die straffen ondergaan, welke berooving van vrijheid met zich brengen, niet mogen worden geplaatst in dezelfde lokaliteiten als de gestrafte onderofficieren of manschappen.

Artikel 50 De ontvluchte krijgsgevangenen, die gegrepen mochten worden vóórdat zij hun leger hebben kunnen bereiken of het gebied hebben kunnen verlaten, dat bezet is door het leger, dat hen heeft gevangen genomen, zullen slechts strafbaar zijn met krijgstuchtelijke straffen.
De gevangenen die, na er in geslaagd te zijn hun leger te bereiken of het grondgebied te verlaten, dat bezet is door het leger, dat hen heeft gevangen genomen, opnieuw krijgsgevangen gemaakt mochten worden, zullen op geen enkele wijze strafbaar zijn voor hun vroegere vlucht.

Artikel 51 De poging tot ontvluchting, zelfs bij herhaling, zal niet beschouwd mogen worden als een verzwarende omstandigheid in het geval, dat de krijgsgevangene mocht worden verwezen naar de rechtbanken wegens gedurende deze poging begane misdrijven of vergrijpen tegen personen of tegen eigendom.
Na eene beproefde of geslaagde ontvluchting zullen de kameraden van den ontvluchte, die aan de ontvluchting zullen hebben medegewerkt, uit dezen hoofde slechts krijgstuchtelijk gestraft mogen worden.

Artikel 52 De oorlogvoerenden zullen er voor zorgen dragen, dat de bevoegde autoriteiten de grootste toegevendheid zullen betrachten bij de beoordeeling der vraag of een door een krijgsgevangene begaan vergrijp krijgstuchtelijk of gerechtelijk moet worden gestraft.
Dit zal vooral het geval zijn wanneer de feiten moeten worden beoordeeld, welke verband houden met de ontvluchting of de poging tot ontvluchting.
Een gevangene zal voor hetzelfde feit of voor dezelfde tenlastelegging slechts een enkele keer mogen worden gestraft.

Artikel 53 Geen krijgsgevangene, die krijgstuchtelijk is gestraft en die zich in omstandigheden bevindt, welke voor de repatrieering bepaald zijn, zal mogen worden achtergehouden om reden, dat hij zijn straf niet heeft ondergaan.
De te repatrieeren gevangenen, die op dat oogenblik strafrechtelijk mochten worden vervolgd, zullen van de repatrieering kunnen worden uitgesloten tot aan het einde van het geding en eventueel tot na de tenuitvoerlegging van de straf; zij die reeds krachtens een veroordeelend vonnis mochten zijn opgesloten zullen kunnen worden achtergehouden tot het einde hunne opsluiting.
De oorlogvoerenden zullen elkaar de lijsten mededeelen van hen, die niet zullen kunnen worden gerepatrieerd wegens de in de voorgaande lid aangegeven redenen.

2. Krijgstuchtelijke straffen[bewerken]

Artikel 54 Arrest is de zwaarste krijgstuchtelijke straf, welke aan een krijgsgevangene kan worden opgelegd.
De duur van één zelfde bestraffing mag niet den duur van dertig dagen overschrijden.
Dit maximum van dertig dagen zal evenmin overschreden mogen worden in het geval van meerdere feiten, waarvoor een gevangene zich op het oogenblik, waarop te zijnen opzichte wordt beslist, krijgstuchtelijk mocht hebben te verantwoorden, onverschillig of deze feiten al of niet met elkander in verband staan.
Wanneer een gevangene gedurende of na afloop van een tijdvak van arrest met een nieuwe krijgstuchtelijke straf mocht worden gestraft, zal ten minste een termijn van drie dagen elk der tijdvakken van arrest scheiden, zoodra een hunner tien dagen of meer bedraagt.

Artikel 55 Onder voorbehoud van de bepaling, welke het voorwerp van het laatste lid van artikel 11 uitmaakt, zullen bij wijze van strafverzwaring op de krijgstuchtelijke gestrafte krijgsgevangenen van toepassing zijn de voedselbeperkingen, welke in de legers van de gevangenhoudende mogendheid zijn toegelaten.
Evenwel zullen deze beperkingen slechts kunnen worden opgelegd, indien de gezondheidstoestand van de gestrafte gevangenen dit veroorlooft.

Artikel 56 In geen geval zullen krijgsgevangenen naar gevangenisinrichtingen (gevangenissen, huizen van bewaring, tuchthuizen enz.) mogen worden overgebracht om daar krijgstuchtelijke straffen te ondergaan.
De lokaliteiten, waarin de krijgstuchtelijke straffen zullen worden ondergaan, zullen moeten beantwoorden aan de eischen der hygiëne.
De gestrafte gevangenen moeten in de gelegenheid gesteld worden zich in staat van reinheid te houden.
Elken dag moeten deze gevangenen de gelegenheid hebben om beweging te nemen of om gedurende ten minste twee uren in de buitenlucht te verblijven.

Artikel 57 Den krijgstuchtelijk gestraften krijgsgevangenen moet worden toegestaan om te lezen en te schrijven, evenals om brieven te verzenden en te ontvangen.
Daarentegen zullen pakketten en geldverzendingen slechts aan de geadresseerden kunnen worden afgegeven na het verstrijken van de straf. Indien de niet uitgereikte pakketten aan bederf onderhevige levensmiddelen bevatten, zullen aan de ziekenzaal of aan de keuken van het kamp worden gegeven.

Artikel 58 Den krijgstuchtelijk gestraften krijgsgevangenen moet op hun verzoek worden toegestaan zich voor het dagelijksch geneeskundig bezoek aan te melden. Zij moeten de door de geneesheeren noodig geoordeelde verpleging ontvangen en moeten eventueel geevacueerd worden naar de ziekenzaal van het kamp of naar de hospitalen.

Artikel 59 Afgescheiden van de bevoegdheid der rechtbanken en der hoogere militaire autoriteiten zullen de krijgstuchtelijke straffen slechts kunnen worden uitgesproken door een officier, die in zijn hoedanigheid van kampcommandant of detachementscommandant bekleed is met krijgstuchtelijke bevoegdheden, of door den verantwoordelijken officier, die hem vervangt.

3. Gerechtelijke vervolgingen[bewerken]

Artikel 60 Dadelijk bij de opening van een tegen een krijgsgevangene gericht gerechtelijk geding moet de gevangenhoudende mogendheid daarvan zoo spoedig mogelijk en altijd voor den datum, welke voor de opening der mondelinge behandeling is vastgesteld, kennis geven aan den vertegenwoordiger van de beschermende mogendheid.
Deze kennisgeving moet de volgende aanduidingen bevatten:

  • a. burgerlijken stand en rang van den gevangene;
  • b. plaats van verblijf of van opsluiting;
  • c. uiteenzetting van den grond of de gronden van aanklacht met vermelding van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

Indien het niet mogelijk is in deze kennisgeving opgave te verstrekken van de rechtbank, welke de zaak zal berechten, van den datum van de opening der mondelinge behandeling en van de plaats, waar zij zal plaats hebben, zullen deze opgaven zoo spoedig mogelijk en in elk geval ten minste drie weken vóór de opening der mondelinge behandeling aan den vertegenwoordiger van de beschermende mogendheid nader moeten worden verstrekt.

Artikel 61 Geen enkele krijgsgevangene zal kunnen worden veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben gehad zich te verdedigen.
Geen enkele gevangene zal kunnen worden gedwongen om zich schuldig te erkennen aan het feit, waarvan hij beschuldigd wordt.

Artikel 62 De krijgsgevangene zal het recht hebben door een bevoegden verdediger van zijn keuze te worden bijgestaan en zoo noodig gebruik te maken van een bevoegden tolk. Hij moet van dit recht door de gevangenhoudende mogendheid tijdig voor de mondelinge behandeling op de hoogte gesteld worden.
Bij gebreke van een keuze door den gevangene, zal de beschermende mogendheid hem een verdediger kunnen verschaffen. De gevangenhoudende mogendheid zal aan de beschermende mogendheid op haar verzoek een lijst van personen doen toekomen, die de geschiktheid hebben om de verdediging te voeren.
De vertegenwoordigers van de beschermende mogendheid zullen het recht hebben om bij de mondelinge behandeling van de rechtszaak tegenwoordig te zijn.
De eenige uitzondering op deze regel is het geval, waarin de mondelinge behandeling van de rechtszaak in het belang van de veiligheid van den staat geheim moeten blijven. De gevangenhoudende mogendheid moet de beschermende mogendheid daarvan onderrichten.

Artikel 63 Een vonnis tegen een krijgsgevangene zal slechts kunnen worden uitgesproken door dezelfde rechtbanken en volgens dezelfde procedure als ten aanzien van personen, die tot de strijdkrachten van de gevangenhoudende mogendheid behooren.

Artikel 64 Ieder krijgsgevangene heeft het recht om tegen elk ten zijnen opzichte gewezen vonnis verzet aan te teekenen op dezelfde wijze als de personen, die tot de strijdkrachten van de gevangenhoudende mogendheid behooren.

Artikel 65 De tegen krijgsgevangenen uitgesproken vonnissen moeten onverwijld aan de beschermende mogendheid worden medegedeeld.

Artikel 66 Indien jegens een krijgsgevangene de doodstraf is uitgesproken, moet zoo spoedig mogelijk aan den vertegenwoordiger van de beschermende mogendheid eene mededeeling gedaan worden, waarin nauwkeurig de aard en de omstandigheden van het vergrijp grondig worden uiteengezet, om aan de mogendheid te worden overgebracht in wier leger de gevangene gediend heeft.
Het vonnis mag niet worden tenuitvoer gelegd vóórdat een termijn van ten minste drie maanden vanaf deze mededeeling is verloopen.

Artikel 67 Geen enkele gevangene zal ten gevolge van een vonnis of anderszins beroofd kunnen worden van de hem in artikel 42 van dit Verdrag toegekende rechten.

Titel IV – Van het einde der gevangenschap[bewerken]

Afdeeling I – Van de rechtstreeksche terugzending naar het eigen land en van de onderbrenging op onzijdig gebied[bewerken]

Artikel 68 De oorlogvoerenden zijn verplicht de zwaar zieke en zwaar gewonde krijgsgevangenen zonder aanzien van rang of aantal naar hun land terug te zenden, na hen in staat gebracht te hebben om te worden vervoerd. Overeenkomsten tusschen de oorlogvoerenden moeten bijgevolg zoo spoedig mogelijk de gevallen van invaliditeit en ziekte vaststellen welke de rechtstreeksche terugzending met zich zullen brengen, evenals de gevallen welke eventueel de onderbrenging op neutraal gebied zullen medebrengen. In afwachting van de sluiting van deze overeenkomsten zullen de oorlogvoerenden zich kunnen gedragen naar de model-overeenkomst, welke ter documentatie aan dit Verdrag is gehecht.

Artikel 69 Dadelijk na de opening der vijandelijkheden zullen de oorlogvoerenden zich verstaan om gemengde geneeskundige commissies te benoemen. Deze commissies zullen uit drie leden bestaan, waarvan twee zullen behooren tot een onzijdig land en één door de gevangenhoudende mogendheid zal worden aangewezen; een der geneesheeren van het onzijdig land zal als voorzitter optreden. Deze gemengde geneeskundige commissies zullen tot het onderzoek der zieke of gewonde gevangenen overgaan en zullen alle beslissingen nemen, welke te hunnen opzichte nuttig kunnen zijn.
De beslissingen van deze commissies zullen met meerderheid van stemmen genomen worden en binnen den kortst mogelijken tijd worden uitgevoerd.

Artikel 70 Behalve de krijgsgevangenen, die door den kampgeneesheer mochten zijn aangewezen, zullen de volgende krijgsgevangenen aan het onderzoek van de gemengde geneeskundige commissie, genoemd in artikel 69, onderworpen worden, met het oog op hunne rechtstreeksche terugzending of hunne onderbrenging op onzijdig gebied:

  • a. de krijgsgevangenen, die daartoe rechtstreeks het verzoek mochten doen aan den kampgeneesheer;
  • b. de gevangenen, die mochten worden voorgedragen door de in artikel 43 bedoelde vertrouwensmannen, waarbij deze op hun eigen initiatief kunnen handelen of op het verzoek van de gevangenen zelve;
  • c. de gevangenen, die mochten worden voorgedragen door de mogendheid in wier legers zij hebben gediend of door eene behoorlijk door deze mogendheid erkende en bevoegd verklaarde vereeniging tot hulpbetoon.

Artikel 71 De krijgsgevangen, die het slachtoffer geworden zijn van een ongeval in hun werk, behalve de zich vrijwillig verwond hebbenden, zullen, wat de rechtstreeksche terugzending of eventueele onderbrenging op onzijdig gebied betreft, het voorrecht van dezelfde bepalingen genieten.

Artikel 72 Gedurende de vijandelijkheden en om redenen van menschlievendheid zullen de oorlogvoerenden overeenkomsten kunnen sluiten met betrekking tot de rechtstreeksche terugzending naar het eigen land of de onderbrenging op onzijdig gebied van gezonde krijgsgevangenen, die een lange gevangenschap hebben ondergaan.

Artikel 73 De kosten van terugzending naar hun land of van vervoer naar onzijdig gebied der krijgsgevangenen zullen vanaf de grens van de gevangenhoudende mogendheden gedragen worden door de mogendheid in wier leger deze gevangenen hebben gediend.

Artikel 74 Geen enkele naar zijn land teruggezonden krijgsgevangene zal tot eenigen actieven militairen dienst mogen worden gebezigd.

Afdeeling II – Van de invrijheidstelling en van de terugzending aan het einde der vijandelijkheden[bewerken]

Artikel 75 Wanneer de oorlogvoerenden een wapenstilstandsverdrag mochten sluiten, zullen zij in beginsel daarin bepalingen opnemen betreffende de terugzending van de krijgsgevangenen. Indien bepalingen hieromtrent in dit verdrag niet mochten kunnen zijn opgenomen, zullen de oorlogvoerenden zich niettemin zoo spoedig mogelijk met dit doel met elkander in verbinding stellen. In alle gevallen zal de terugzending van de krijgsgevangenen zoo spoedig mogelijk na de sluiting van den vrede geschieden.
De krijgsgevangenen, die mochten worden vervolgd voor een misdrijf of een vergrijp tegen het gemeene recht, zullen echter kunnen worden achtergehouden tot het einde van het geding en eventueel tot het einde der straf. Hetzelfde zal het geval zijn ten aanzien van hen, die voor een misdrijf of een vergrijp tegen het gemeene recht mochten zijn veroordeeld.
In gemeen overleg tusschen de oorlogvoerenden zullen commissies ingesteld kunnen worden om de verspreide gevangenen op te zoeken en hunne terugzending te verzekeren.

Titel V – Van het overlijden van krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 76 De testamenten van krijgsgevangenen zullen worden opgenomen en opgemaakt onder dezelfde voorwaarden als voor militairen van het nationale leger.
Men zal eveneens dezelfde regels volgen ten aanzien van de stukken betreffende het vaststellen van het overlijden.
De oorlogvoerenden zullen er voor waken, dat de in gevangenschap overleden krijgsgevangenen eervol zullen worden begraven en dat de graven alle nuttige aanduidingen dragen, worden ontzien en behoorlijk worden onderhouden.

Titel VI – Van de bureaux tot hulpbetoon en tot het verstrekken van inlichtingen betreffende de krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 77 Dadelijk bij het begin van de vijandelijkheden zullen alle oorlogvoerende mogendheden evenals de onzijdige mogendheden, die oorlogvoerenden mochten hebben opgenomen, een officieel bureau instellen voor inlichtingen over de krijgsgevangenen, die zich op hun gebied bevinden.
In den kortst mogelijken tijd zal ieder der oorlogvoerende mogendheden haar inlichtingsbureau in kennis stellen met elke door haar legers verrichte gevangenneming, zulks onder verstrekking van alle haar ten dienste staande inlichtingen over identiteit, welke het mogelijk maken, spoedig de betrokken families te verwittigen en onder mededeeling der officieele adressen, waaronder de families aan de gevangenen zullen kunnen schrijven.
Het inlichtingsbureau zal met spoed al deze gegevens aan de betrokken mogendheden doen toekomen door bemiddeling eenerzijds van de beschermende mogendheden en anderzijds door het centrale bureau, bedoeld in artikel 79.
Het inlichtingsbureau, dat belast is met het antwoorden op alle vragen, welke de krijgsgevangenen betreffen, zal van de verschillende bevoegde diensten alle gegevens ontvangen betreffende interneeringen en veranderingen, invrijheidstellingen op eerewoord, repatrieeringen, ontvluchtingen, verblijf in hospitalen, sterfgevallen, alsmede de overige inlichtingen, die noodig zijn, om een individuele kaart voor elken krijgsgevangene op te stellen en bij te houden.
Het bureau zal zooveel mogelijk en onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 5, op die kaart brengen stamboeknummers, naam en voornamen, datum en plaats van geboorte, rang en troependeel van den betrokkene, voornaam van den vader en naam van de moeder, adres van de persoon, die in geval van een ongeval verwittigd moet worden, verwondingen, datum en plaats van de gevangenneming, van de interneering, van de verwondingen, van den dood, alsmede alle andere belangrijke inlichtingen.
Wekelijksche lijsten, houdende alle nieuwe inlichtingen, die er toe kunnen bijdragen om de identificatie van iederen gevangene te vergemakkelijken, zullen aan de belanghebbende mogendheden worden toegezonden.
De individueele kaart van den krijgsgevangene zal na de sluiting van den vrede worden toegezonden aan de mogendheid, welke hij heeft gediend.
Het inlichtingsbureau zal bovendien verplicht zijn alle voorwerpen van persoonlijk gebruik, waardepapieren, brieven, soldijboekjes, herkenningsteekens enz., welke mochten zijn achtergelaten door de gerepatrieerde, op eerewoord in vrijheid gestelde, ontvluchte of overleden krijgsgevangenen, te verzamelen en deze voorwerpen aan de belanghebbende landen toe te zenden.

Artikel 78 De vereenigingen tot hulpbetoon aan krijgsgevangenen, welke volgens de wet van haar land regelmatig zijn opgericht en die ten doel hebben, tusschenpersoon te zijn bij het liefdadig werk, zullen van de zijde der oorlogvoerenden voor haar en voor hare bevoegdelijk aangestelde vertegenwoordigers binnen de door de militaire noodzakelijkheden gestelde grenzen alle faciliteiten krijgen om haar taak van menschlievendheid doelmatig te kunnen vervullen. De afgevaardigden van deze vereenigingen zullen in de kampen kunnen worden toegelaten om hulp te verleenen, evenals tot de étappe-plaatsen der naar hun land terugkeerende krijgsgevangenen, door de verleening van een persoonlijke vergunning, afgegeven door de militaire overheid en onder het schriftelijk op zich nemen van de verplichting om zich aan alle maatregelen van orde en politie, welke deze overheid mocht voorschrijven, te onderwerpen.

Artikel 79 Een centraal inlichtingsbureau betreffende de krijgsgevangenen zal op onzijdig gebied worden opgericht. Het Internationale Comité van het Roode Kruis zal, indien het zulks noodig oordeelt, aan de belanghebbende mogendheden de organisatie van een zoodanig bureau voorstellen.
Dit bureau zal belast zijn met het verzamelen van alle inlichtingen aangaande de gevangenen, welke het langs officieelen of langs particulieren weg zal kunnen verkrijgen; het zal deze inlichtingen zoo spoedig mogelijk overbrengen aan het land van oorsprong van de gevangenen of aan de mogendheid, welke zij zullen hebben gediend.
Deze bepalingen mogen niet worden uitgelegd als zouden zij de menschlievende werkzaamheid van het Internationale Comité van het Roode Kruis beperken.

Artikel 80 De inlichtingsbureaux zullen op postgebied vrijdom van port genieten evenals alle in artikel 38 bedoelde vrijstellingen.

Titel VII – Van de toepassing van het Verdrag op zekere groepen van burgers[bewerken]

Artikel 81 De personen, die de strijdkrachten volgen zonder daarvan rechtstreeks deel uit te maken, zooals correspondenten, verslaggevers van couranten, marketenters, leveranciers, die in de macht van den mochten geraken en die deze nuttig mocht oordeelen aan te houden, zullen recht hebben op de behandeling van krijgsgevangenen, mits zij voorzien zijn van een legitimatiebewijs afgegeven door de militaire overheid van de strijdkrachten, welke zij vergezelden.

Titel VIII – Van de tenuitvoerlegging van het Verdrag[bewerken]

Afdeeling I - Algemeene bepalingen[bewerken]

Artikel 82 De voorschriften van dit Verdrag zullen door de Hooge Verdragsluitende Partijen onder alle omstandigheden worden geëerbiedigd.
In het geval dat, in tijd van oorlog, een der oorlogvoerende geen partij bij dat Verdrag mocht zijn, zullen niettemin deszelfs bepalingen verbindend blijven tusschen de oorlogvoerenden, die aan het Verdrag deelnemen.

Artikel 83 De Hooge Verdragsluitende Partijen behouden zich het recht voor om bijzondere overeenkomsten te sluiten over alle kwesties met betrekking tot de krijgsgevangenen, die hun nuttig mochten voorkomen afzonderlijk te regelen.
De krijgsgevangenen zullen in het genot van het voordeelen dier overeenkomsten blijven tot de beëindiging der terugzending, behalve indien het tegendeel uitdrukkelijk bepaald wordt in de bovenbedoelde overeenkomsten, of eveneens, indien gunstiger maatregelen door de een of de andere oorlogsvoerende mogendheden ten aanzien van de gevangenen, die zij in haar macht hebben, mochten zijn genomen.
Ten einde de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag geheel te waarborgen en de sluiting van de hierboven bedoelde bijzondere overeenkomsten te vergemakkelijken, zullen de oorlogvoerenden dadelijk bij het begin van de vijandelijkheden bijeenkomsten kunnen toestaan van vertegenwoordigers der respectieve autoriteiten, die belast zijn met de administratie der krijgsgevangenen.

Artikel 84 De tekst van dit Verdrag en van de in het voorgaande artikel bedoelde bijzondere overeenkomsten zal worden aangeplakt, zooveel mogelijk in de moedertaal der krijgsgevangenen, op plaatsen waar hij door alle krijgsgevangenen zal kunnen worden geraadpleegd.
De tekst van deze overeenkomsten zal aan de gevangenen, die zich in de onmogelijkheid mochten bevinden om van den aangeplakten tekst kennis te nemen, op hun verzoek worden medegedeeld.

Artikel 85 De Hooge Verdragsluitende Partijen zullen elkander door tusschenkomst van den Zwitsersen Bondsraad de officieele vertalingen van dit Verdrag mededeelen, evenals de wetten en reglementen, welke zij zouden kunnen moeten aannemen om de toepassing van dit Verdrag te verzekeren.

Afdeeling II – Van de organisatie van de contrôle[bewerken]

Artikel 86 De Hooge Verdragsluitende Partijen erkennen, dat de regelmatige toepassing van dit Verdrag een waarborg zal vinden in de mogelijkheid van samenwerking der beschermende mogendheden, die belast zijn met het waken over de belangen der oorlogvoerenden; tot dat doel zullen de beschermende mogendheden buiten haar diplomatiek personeel, gedelegeerden kunnen aanwijzen onder hare eigen landslieden of onder de landslieden van andere onzijdige mogendheden. Deze gedelegeerden zullen moeten onderworpen worden aan de goedkeuring van den oorlogvoerenden Staat, bij wien zij hunne zending zullen uitoefenen.
De vertegenwoordigers van de beschermende mogendheid of hare erkende gedelegeerden zullen bevoegd zijn zich te begeven in alle plaatsen, zonder eenige uitzondering, waar krijgsgevangenen zijn geïnterneerd. Zij zullen toegang hebben in alle lokalen, waar krijgsgevangenen verblijf houden, en zullen zich, in het algemeen zonder getuige, persoonlijk of door tusschenkomst van tolken met hen mogen onderhouden.
De oorlogvoerenden zullen zooveel mogelijk de taak van de vertegenwoordigers of der erkende gedelegeerden van de beschermende mogendheid vergemakkelijken. De militaire autoriteiten zullen van hun bezoek worden onderricht.
De oorlogvoerenden kunnen zich verstaan om toe te laten, dat personen van de eigen nationaliteit van de gevangenen worden toegelaten om aan de inspectiereizen deel te nemen.

Artikel 87 In geval van oneenigheid tusschen de oorlogvoerenden over de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag zullen de beschermende mogendheden zooveel mogelijk hare diensten kunnen verleenen, teneinde het geschil te regelen.
Tot dat doel zal ieder der beschermende mogendheden aan de betrokken oorlogvoerenden in het bijzonder eene bijeenkomst van de vertegenwoordigers dezer oorlogvoerenden kunnen voorstellen, eventueel op een gunstig gekozen onzijdig gebied. De oorlogvoerenden zullen verplicht zijn om aan de voorstellen, die hun in dezen zin mochten worden gedaan, gevolg te geven. De beschermende mogendheid zal, indien het geval zich voordoet, aan de goedkeuring der mogendheid, waarvan hier sprake is, een persoon kunnen onderwerpen, die tot een neutrale mogendheid behoort, of een persoon, afgevaardigd door het Internationaal Comité van het Roode Kruis, die geroepen zal zijn om aan deze bijeenkomst deel te nemen.

Artikel 88 De voorgaande bepalingen belemmeren niet de menschlievende werkzaamheid, welke het Internationale Comité van het Roode Kruis zal kunnen ontplooien voor de bescherming van krijgsgevangenen, behoudens de goedkeuring van de betrokken oorlogvoerenden.

Afdeeling III – Slotbepalingen[bewerken]

Artikel 89 In de betrekkingen tusschen de Mogendheden die gebonden zijn door het Haagsche Verdrag betreffende de wetten en gebruiken van den landoorlog, onverschillig of dit is het Verdrag van 29 Juli 1899 of dat van 18 October 1907, en die aan dit Verdrag deelnemen, zal dit Verdrag het Hoofdstuk II van het bij bovengenoemde Haagsche Verdrag gevoegde Reglement aanvullen.

Artikel 90 Dit Verdrag, dat de datum van dezen dag zal dragen, zal tot den eersten Februari 1930 kunnen worden geteekend uit naam van alle op de Conferentie, die op den 1sten Juli 1929 te Genève is geopend, vertegenwoordigde landen.

Artikel 91 Dit Verdrag zal zoo spoedig mogelijk worden geratificeerd.
De akten van bekrachtiging zullen te Bern worden nedergelegd.
Van de nederlegging van elke akte van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk door den Zwitserschen Bondsraad zal worden toegezonden aan de Regeeringen van alle landen uit welke naam het Verdrag zal zijn geteekend of de toetreding tot dat Verdrag zal zijn medegedeeld.

Artikel 92 Dit Verdrag zal in werking treden zes maanden nadat ten minste twee akten van bekrachtiging zullen zijn nedergelegd.
Verder zal het voor elke Hooge Verdragsluitende Partij in werking treden zes maanden na de nederlegging van hare akte van bekrachtiging.

Artikel 93 Van den datum van zijne inwerkingstelling af zal dit Verdrag open staan voor toetredingen, welke uit naam van elk land, uit welks naam dit Verdrag niet zal zijn geteekend, worden gedaan.

Artikel 94 De toetredingen moeten schriftelijk aan den Zwitserschen Bondsraad worden medegedeeld en zullen van kracht worden zes maanden na den dag, waarop zij den Bondsraad zullen hebben bereikt.
De Zwitsersche Bondsraad zal van de toetredingen kennis geven aan de Regeeringen van alle landen, uit welker naam het Verdrag zal zijn geteekend of de toetreding tot dat Verdrag zal zijn medegedeeld.

Artikel 95 De oorlogstoestand zal onmiddellijke werking verleenen aan de akten van bekrachtiging en de toetredingen, welke door de oorlogvoerende Mogendheden vóór of na den aanvang van de vijandelijkheden zijn nedergelegd of zijn medegedeeld. De kennisgeving van bekrachtigingen of van toetredingen, welke ontvangen worden van zich in oorlogstoestand bevindende Mogendheden, zal door den Zwitserschen Bondsraad langs den snelsten weg worden verricht.

Artikel 96 Elke der Hooge Verdragsluitende Partijen zal de bevoegdheid hebben dit Verdrag op te zeggen. De opzegging zal eerst gevolg hebben een jaar nadat de mededeeling daarvan schriftelijk aan den Zwitserschen Bondsraad zal zijn gedaan. Deze zal van deze mededeeling kennis geven aan de Regeeringen van alle Hooge Verdragsluitende Partijen.
De opzegging zal slechts gelden ten aanzien van de Hooge Verdragsluitende Partij, die haar zal hebben medegedeeld.
Bovendien zal deze opzegging geen gevolg hebben in den loop van een oorlog, waarin de opzeggende Mogendheid mocht zijn betrokken. In dit geval zal dit Verdrag in werking blijven, boven den termijn van een jaar, tot aan de sluiting van de vrede en in elk geval totdat de werkzaamheden voor de terugzending zijn beëindigd.

Artikel 97 Een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk van dit Verdrag zal door de zorgen van den Zwitserschen Bondsraad nedergelegd worden in de archieven van den Volkenbond. Eveneens zal van bekrachtigingen, toetredingen en opzeggingen, welke aan den Zwitserschen Bondsraad zullen worden medegedeeld, door hem kennis gegeven worden aan den Volkenbond.

Ten blijke waarvan de bovengenoemde gevolmachtigden dit Verdrag hebben onderteekend.

Gedaan te Genève, den zeven en twintigsten Juli negentienhonderd negen en twintig, in een enkel exemplaar, dat in de archieven van den Zwitserschen Bond bewaard zal blijven en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afdrukken aan de Regeeringen van alle tot de Conferentie uitgenoodigde landen zullen worden toegezonden.

(Volgen de onderteekeningen).

Bijlage betreffende het verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 27 juli 1929.[bewerken]

Modelovereenkomst Betreffende de rechtstreekse terugzending naar hun land en de onderbrenging op onzijdig gebied van krijgsgevangenen wegens gezondheidsredenen.

I. Leidende beginselen voor de rechtstreekse terugzending naar het eigen land en de onderbrenging op onzijdig gebied.[bewerken]

A. Leidende beginselen voor de rechtstreekse terugzending naar het eigen land.[bewerken]

Rechtstreeks moeten naar het eigen land worden teruggezonden:

  • 1º. De zieken en gewonden, bij wie volgens de geneeskundige verwachting herstel binnen een jaar niet aannemelijk is, terwijl hun toestand een behandeling noodig maakt en die geestelijk of lichamelijk belangrijk minderwaardig blijken te zijn.
  • 2º. De ongeneeslijke zieken en gewonden, die geestelijk of lichamelijk belangrijk minderwaardig blijken te zijn.
  • 3º. De genezen zieken en gewonden, die geestelijk of lichamelijk belangrijk minderwaardig blijken te zijn.

B. Leidende beginselen voor de onderbrenging op onzijdig gebied.[bewerken]

Ondergebracht moeten worden:

  • 1º. De zieken en gewonden, bij wie de genezing binnen den tijd van een jaar waarschijnlijk is, terwijl deze genezing sneller en meer verzekerd schijnt, indien aan de zieken en gewonden de voordeelen worden geschonken van de hulpbronnen, die het onzijdig land biedt, dan wanneer hun eigenlijk gevangenschap wordt verlengd.
  • 2º. De krijgsgevangen, wier geestelijke of lichamelijke gezondheid volgens geneeskundige verwachting ernstig bedreigd voorkomt door het handhaven van de gevangenschap terwijl de onderbrenging op onzijdig gebied hen waarschijnlijk aan dat gevaar zou onttrekken.

C. Leidende beginselen voor de terugzending naar hun land van de op onzijdig gebied ondergebrachten.[bewerken]

Naar hun land moeten worden teruggezonden de op onzijdig gebied ondergebrachte krijgsgevangenen, die tot een der volgenden groepen behooren:

  • 1º.
  • 2º.

II. Bijzondere beginselen voor rechtstreeksche terugzending naar het eigen land of de onderbrenging op onzijdig gebied.[bewerken]

A. Bijzondere beginselen voor de terugzending naar het eigen land.[bewerken]

Naar het eigen land moeten worden teruggezonden:

  • 1º. Alle krijgsgevangenen, die ten gevolge van organisch letsel de volgende daadwerkelijke of functioneele afwijkingen vertoonen: verlies van een lidmaat, verlamming, gewrichts- en andere afwijkingen, een en ander voor zover het gemis ten minste een voet of hand omvat ofwel met het gemis van een voet of hand is gelijk te stellen.
  • 2º. Alle krijgsgevangenen, die gewond of op andere wijze getroffen zijn en wier toestand zoodanig is, dat deze hen maakt tot gebrekkigen, wier herstel binnen een jaar uit geneeskundig oogpunt niet kan worden verwacht.
  • 3º. Alle zieken, wier toestand zoodanig is, dat deze hen maakt tot gebrekkigen, wier herstel uit geneeskundig oogpunt niet binnen een jaar kan worden veerwacht.

Tot deze groep horen in het bijzonder:

    • a. voortschrijdende tuberculose van welke organen ook, welke volgens geneeskundige verwachting nier meer kan woeden genezen of ten minste belangrijk worden verbeterd door een kuur op onzijdig gebied.
    • b. niet-tuberculeuse aandoeningen van de ademhalingsorganen, welke ongeneeslijk worden geacht (zooals, in het bijzonder longemphysum in belangrijken graad, met of zonder bronchitis, verwijding van de luchtpijptakken, ernstig ashtma, vergiftiging door gassen, enz.).
    • c. ernstig sleepende aandoendingen van de organen van den bloedsomloop (b.v. klepvliesgebreken met neiging tot compensatiestoornissen, betrekkelijk ernstige aandoeningen van de hartspier, het hartezakje en de vaten, in het bijzonder onopereerbare verwijdingen van de groote vaten, enz.).
    • d. ernstige sleepende aandoeningen van de spijsverteringsorganen.
    • e. ernstige sleepende aandoeningen van de pis- en geslachtsorganen, in het bijzonder alle gevallen van sleepende nierontsteking, welke met zekerheid zijn vastgesteld en alle kenmerkende verschijnselen vertoonen en zeer in het bijzonder wanneer er reeds afwijkingen van hart en bloedvaten bestaan; verder chronische nierbekken en blaasontstekingen, enz.
    • f. ernstige sleepende ziekten van het periphere zenuwstelsel, zooals met name ernstige neurasthenie en hysterie, alle onbetwistbare gevallen van epilepsie, Basedouche ziekte, enz.
    • g. blindheid van beide oogen, of van één oog wanner de gezichtsscherpte van het andere beneden de 5/5 blijft, ondanks de aan wendingen van verbeterende glazen. Vermindering van de gezichtsscherpte wanneer het niet mogelijk is die door correctie die tot ten minste ½ op één oog terug te brengen.

Andere oogaandoeningen, tot in deze groep behorende groende staar, ontsteking van het regenboogvlies, het vaatvlies, enz.).

    • h. algeheel dubbelzijdige doofheid, evenals algeheele eenzijdige doofheid, wanneer het onvolledig doove oor de gewone spreekstem op 1 meter afstand niet meer verstaat.
    • i. alle onbetwistbare gevallen van geestesaandoeningen.
    • k. ernstige gevallen van sleepende vergiftiging door metalen of andere oorzaken (sleepende vergiftiging door lood, kwik, morfine cocaïne, alcohol, door gassen, enz.).
    • l. sleepende aandoeningen van de bewegingsorganen (misvormende gewrichtsontsteking, jicht, rheumatische aandoeningen met klinisch aantoonbare afwijkingen), mits zij ernstig zijn.
    • m. alle kwaadaardige nieuwvormingen indien zij niet in aanmerking komen voor betrekkelijk onschuldig operatief ingrijpen zonder gevaar voor het leven van den geopereerde.
    • n. alle gevallen van malaria met waarneembare organische afwijkingen (belangrijke chronische vergooting van de lever, van de milt, cachexie, enz.).
    • o. ernstige sleepende huidaandoeningen, voor zoover derzelve aard geen geneeskundige aanwijzing vormt voor onderbrenging op neutraal gebied.
    • p. ernstige ziekten, voortspruitend uit gebrek aan vitaminen (beri-beri, pellagra, sleepende scheurbuik).

B. Bijzondere beginselen voor de onderbrenging.[bewerken]

De krijgsgevangenen moeten worden ondergebracht, indien zij zijn aangetast door de volgende aandoeningen:

  • 1º. Alle vormen van tuberculose, van welke organen ook, indien dezen volgens den huidigen toestand der medische wetenschap kunnen worden genezen of ten minste aanzienlijk worden verbeterd door geneeswijzen, welke in een onzijdig land kunnen worden toegepast (hooge lucht, verpleeging in sanatoria, enz.).
  • 2º. Alle vormen, die een behandeling noodig maken – van aandoeningen der organen van ademhaling, bloedsomloop, spijsvertering der pis- en geslachtsorganen, van zenuwstelsel en zintuigen, van de bewegingsorganen en de huid, onder voorwaarde evenwel, dat die vormen van aandoeningen niet behooren tot de groepen, voor welke een rechtstreeksche terugzending naar het eigen land is voorgeschreven of dat zij niet zijn acute ziekten, die een neiging hebben tot geheele genezing. De in deze paragraaf bedoelde aandoeningen zijn die, welke door de aanwending van behandelingswijzen, welke in een onzijdig land kunnen worden toegepast, werkelijk betere genezingskansen voor den patiënt bieden dan wanneer deze in gevangenschap zou worden behandeld.

Zeer bijzondere aandacht behoort te worden geschonken aan de zenuwstoornissen, welke veroorzaakt of stekt ongunstig beïnvloed zijn door de oorlogsgebeurtenissen of de gevangenschap zelve, zooals de psychasthenie van krijgsgevangenen en andere overeenkomstige gevallen. Alle deugdelijk vastgestelde gevallen ban dezen aard moeten worden ondergebracht voor zoover hun ernst of constitutioneel karakter dezelve niet stempelen tot gevallen, die rechtstreeksche terugzending naar het eigen land aanspraak geven, De aan psychasthenie lijdende krijgsgevangenen, die niet zijn genezen na drie maanden van onderbrenging op onzijdig gebied of die na dien termijn niet kennelijk op weg van blijvende genezing zijn, moeten naar het eigen land woeden teruggezonden;

  • 3º. Alle gevallen van verwonding, letsels en hunne gevolgen, welke op onzijdig gebied betere kansen op genezing bieden als in gevangenschap, onder voorwaarde, dat deze gevallen niet in aanmerking komen voor rechtstreeksche terugzending naar het eigen land dan wel onbeduidend zijn;
  • 4º. Alle gevallen van deugdelijk vastgestelde malaria zonder klinisch aantoonbare orgaanafwijkingen (chronische vergrooting van de lever, van de milt, cachexie, indien het verblijf op onzijdig gebied bijzonder gunstige vooruitzichten voor blijvende genezing biedt.
  • 5º. Alle gevallen vergiftiging (in het bijzonder door gassen, metalen, alcaloiden, bij welke in een onzijdig land de vooruitzichten bijzonder gunstig zijn.

Uitgesloten van onderbrenging zijn:

  • 1º. Alle gevallen van deugdelijk vastgestelde geestesziekte;
  • 2º. Alle organische of functionele zenuwaandoeningen, welke ongeneeslijk worden geacht. (Deze twee groepen behooren tot die welke recht geven op rechtstreekse terugzending naar het eigen land);
  • 3º. Ernstige chronische drankzucht;
  • 4º. Alle besmettelijke aandoeningen in het tijdperk, waarin zij overdraagbaar zijn (acute infectieziekten, primaire en secundaire syphilis, trachoom, lepra, enz.).

III. Algemeene Opmerkingen[bewerken]

De hierboven vastgestelde voorwaarden moeten in het algemeen worden uitgelegd en toegepast in een zoo ruim mogelijken geest.
Deze ruime uitlegging moet in het bijzonder worden toegepast op de neuropathische en psychopathische toestanden, welke veroorzaakt of ongunstig beïnvloed zijn door de oorlogsgebeurtenissen of de gevangenschap zelve (psychasthenie der krijgsgevangenen) evenals op gevallen tuberculose in alle graden, Het spreekt vanzelf, dat de kampgeneesheeren en de gemengde geneeskundige commissies kunnen komen te staan voor een menigte gevallen, die niet vermeld zijn bij de onder nummer II gegeven voorbeelden, of voor gevallen, die niet aan die voorbeelden zijn aan te passen. De hierboven vermelde voorbeelden zijn slechts gegeven als typische voorbeelden; een overeenkomstige lijst van voorbeelden van chirurgische afwijkingen is niet opgesteld, omdat, met uitzondering van de gevallen, die door hun aard zelf onbetwistbaar zijn (amputaties), het moeilijk is, een lijst van bijzondere types samen te stekken; de ervaring heeft uitgewezen, dat een overzicht van die bijzondere gevallen in de praktijk niet zonder bezwaren was.
Men zal in alle gevallen, welke zich niet geheel aan de gegeven voorbeelden aanpassen, zich bij de beslissing moeten laten leiden door den geest der bovenvermelde leidende beginselen.